wichmann31.jpg

Allerheiligen - Samhain
Feest der doden en demonen

door Jörg Wichmann
Nederlandse vertaling: GardenStone
©Copyright: GardenStone

Bij gebruik voor publieke en/of commerciële doeleinden is schriftelijke toestemming van GardenStone vereist.
GardenStone@boudicca.de


Een gouden waas lag over de avondhemel toen ik op huis aan ging. Het was herfst, de zon stond al diep in schorpioen en de avonden waren al voelbaar houder. Hoog boven mij trok een zwerm kraaien voorbij en in de verte was nog zacht het getuf van een terugkerende tractor te horen. "Zoals toen", dacht ik, " als destijds....", maar daar was dat gevoel alweer verdwenen. Het jaargetijde van de herinneringen, van vlucktige melancholie, gevoed door de aardse geur van bladeren, door de glinsterende rijp in de vroege morgen, door het eenzame twinkelieren van een winterkoninkje in z'n kale heg. Maar voordat men zulke gevoelens vastgrijpen kan, zijn ze alweer vervlogen, zoals een vlieger aan een te dun koord. Oeinzend liep ik langzaam verder, en merkte nauwelijks, dat de nacht over het land gleed. Een koude vlaag van de avondwind deed me huiveren en spoorde me aan vlugger te lopen, de voetstappen nauwelijks hoorbaar op de dikke laag van populierebladeren. Aan de oostelijke horizon stond helder schijnend, niet over het hoofd te zien, Orion, de Grote Jager. Bij zijn aanblik sloop een eerste gevoel van winter in mijn hart. Ik wreef me in mijn klamme handen en verheugde me op de warme thee thuis - al gauw zou het weer te tijd zijn voor het kerstgebak. Het was, alsof ik al de warme geur van kaneel kon ruiken, toen van achter de heuvel de eerste lichtjes van het dorp zichtbaar werden.

Thuisgekomen ging ik achter m'n bureau zitten, en probeerde mijn stemming in dit artikel uit te drukken.
Allerheiligen is het hoogtepunt in deze tijd van het jaar, de tijd van de vage verlangens en gevoelens die op herinneringen lijken, die ons steeds weer verbinden met onze innerlijke wereld, met het verleden, met vermoedens over de verre toekomst en met een andere kant van onze werkelijkheid.
De natuur trekt haar krachten nu helemaal in zich terug, de dood blaast door het afgevallen loof van bladeren en de afgevallen vruchten verrotten in het gras.
Overeenkomstig de traditie lieten de mensen deze gevoelens en verlangens in een groot feest de vrije loop, lieten dan de geesten en de voorvaderen, die al sedert weken aan de poorten van onze wereld klopten, binnenkomen. Men onthaalde die geesten gastvrij, en liet ze dan weer verder trekken.

In bepaalde opzichten heeft Allerheiligen overeenkomsten met Walpurgis. Beide feesten liggen precies een half jaar uit elkaar. Het ene geeft het begin van de zomer aan, het andere dat van de winter.
In de cultuur van de Kelten begon het jaar met Samhain, (uit te spreken als: see-in), zoals 1 november daar genoemd wordt. Deze dag, en in het bijzonder de voorafgaande nacht, was de heiligste tijd, de tijd, waarop het contakt met de 'andere wereld' het sterkst was, omdat de grens dan op z'n zwakst was. (Bij de Kelten volgde de dag op de nacht, en niet, zoals bij ons, omgekeerd.)

Zodoende is Samhain ook de klassieke dag der doden van de helden der Kelten (Roi, Conaire, Cü Chulainn u.a.) 1), en door dit tijdstip van hun dood worden deze gebeurtenissen gekenmerkt als liggend buiten de natuurlijke loop van de tijd. Ook andere begeleidende omstandigheden tonen de dood van de held in z'n paradoxale grootte en absurditeit.

In deel vier van het Mabinogion 2) wordt b.v. verteld, hoe de held Llew sterft. Hij kan binnen- noch buitenshuis verslagen worden, noch te paard, noch te voet, en aan de speer, die hem kan doden, moet een jaar lang gewerkt zijn, en dat dan ook alleen op de tijden dat de mensen zondags hun offers brengen. De vrouw, die hem deze voorwaarden ontlokt, hem verraadt en zo door middel van list ter dood brengt, is een toverwezen, dat uit planten gemaakt werd. Llew zelf beschrijft haar de oplossing van het onmogelijke raadsel:
"
Wanneer iemand een badgelegenheid naast een rivier aanlegt, en boven het bassin een dak bassin bouwt, en ik zet mijn ene voet op de rug van een bok en de andere voet op de rand van dat bassin, en iemand ziet me op dat moment en stoot toe, dan zal ik sterven." 3)
Deze buitengewone situatie wordt inderdaad gecreërd en de held wordt neergestoken. Op het moment van zijn sterven ontvlucht hij in de gedaante van een adelaar. - Bij de verlossing van zijn levenskoan bevrijdt de geest zich van het stervende lichaam, en vliegt naar het land, waar mens en dier zich niet van elkaar onderscheiden. - Zijn vader, der magier Gwydion, vindt hem later ook zo terug, en geeft hem langs de weg der magie zijn menselijke gestalte terug. Uit dit verhaal, en uit dat van veel andere, die soortgelijke paradoxen vertonen, wordt duidelijk, dat bij het intreden van de dood omstandigheden noodzakelijk zijn, die niet van deze wereld zijn. Ook wanneer aan tegenstrijdige voorwaarden door trucs voldaan wordt, dan blijft het 'absurde' toch bestaan. Een koan verliest z'n onoplosbaarheid niet door de oplossing; slechts in de laatste worsteling om leven en dood opent hij de poort naar de ongewisse eeuwigheid.

Llew, die overeenkomt met de ierse God van het licht, Lugh, sterft niet in huis, niet er buiten, maar op de drempel. Alleen op de grens tussen dag en nacht, tussen zomer en winter, kan de zon overwonnen worden, in een gebeurtenis, die alleen maar gezien kon worden als intrede van het bovennatuurlijke.

Op een andere plaats werd al uitvoerig besproken, dat de mytische ordening aan z'n begin uit de chaos ontsprongen is, en er elk jaar opnieuw uit ontstaat. Deze chaos wordt beleefd, doordat veel aan ordening en taboes doorbroken worden. Jongens verkleden zich als meisjes en omgekeerd (Schotland), jongelui gaan rond en brengen de eigendommen van andere mensen door elkaar, verplaatsen hekken en tuindeuren, ontvoeren paarden, stoppen schoorstenen dicht met turf, enz. 4) En ook de wereld van de doden vermengt zich met die van de levenden. Feile na Marbh - 'feest der doden heette Samhain ook wel in het Gaelisch. 5)

Wie na het invallen van de duisternis zijn huis noch moest verlaten, vermeed tenminste de begraafplaatsen, en keek niet om, wanneer van achteren voetstappen te horen waren.
In de moderne Wicca worden de gestorvenen uitgenodigd aan ritueel en feest deel te nemen. De feeënheuvels zijn wijd geopend en hun bewoners zijn onderweg. Deze nacht werd ook wel 'pooca-nacht' genoemd en het was niet raadzaam na deze nacht nog bosbessen te eten, omdat de Pooca - een demon, die zich meestal als een afzichtelijk zwart paard vertoonde - die bessen verpest had.
6); en in veel streken verviel de nog niet binnengehaalde oogst aan de duivel.
Dit aspect von dood en verval onderscheidt Samhain van Beltaine (Walpurgis), waar alleen sprake is van baldadige geesten en heksen die rondgingen; deze lieten zich echter met enige eenvoudige magische trucs gemakkelijk afweren.
Samhain daarentegen is een duisere nacht. En omdat dit het tijdstip is, waarop uit de chaos nieuwe ordening ontstaat, is dit ook het meest geëigende moment voorspellingen en waarzeggerij voor het komende jaar. Bij voorkeur werd dan gevraagd wie zou sterven en wie in het huwelijk zou treden. Uit de manier, waarop geroosterde nootjes uit het vuur sprongen, voorspelde men,, of wist men, dat de vinder van een in de keuken verstopte ring zou trouwen, dat de vinder van een knoop vrijgezel zou blijven, enz.
7). In Wales legden de mensen gemerkte stenen in het Samhain-vuur, en wiens steen de volgende morgen ontbrak, die moest in het komende jaar sterven.

Misschien zijn dit overblijfselen van oeroude loterijen, waardoor feestoffers aangewezen werden. Dit blijkt nog duidelijker in een gebruik uit Wales, waarbij alle mensen na het vergloeien van de laatste vonken van het feestvuur wegrenden terwijl ze riepen: "Het kortharige zwarte varken pakt de laatste!" 8) Dat zwarte varken was het dier van de Godin Cerridwen in haar donkere aspect.

In z'n totaliteit is het Samhain feest gewijd aan de donkere kant van de Godin, of ze nu Hecate, Cailleach Bheur, Black Annis, Hei of Waghu heet. Ze toonde zich in de gedaante van een afstotelijke, broodmagere, oude heks ( in de zin van de gebroeders Grimm - het engelse woord 'hag' past in dit verband eigenlijk beter), die op de britse eilanden van Samhain tot aan de eerste mei het land beheerste met koude en droogte, om zich met Walpurgis dan weer in een steen of in een wonderschoon jong meisje te veranderen. De haar toegeschreven planten zijn het heksenkruid en de gaspeldoorn, haar dieren de (wilde) zwijnen, wilde geiten en wolven. 9) (Hecate had ook een hondekar). De godin werd ook wel dochter van 'Grianan', de winterzin genoemd; 9) de Kelten onderscheidden de 'grote zon'
(in de zomer) en de 'kleine zon' (in de winter), die elkaar bij Beltaine en Samhain afwisselden.

Kort voordat de ierse koning Conaire tijdens Samhain sterft, verschijnt er een eenzame oude vrouw in een grijze schoudermantel in de deuropening van zijn huis, en profeteert zijn dood. Wie een goede schildering zoekt van het verhaal van Cailleach, die zou in de Phantastes 10) de beschrijving van de Erlenvrouw moeten lezen, die aan de voorkant verleidelijk mooi, aan de achterkant echter zo uitgehold als een skelet is. Deze atmosfeer is in een oud verhaal het meest drastisch terug te vinden Phantastes *) :

Sedert mensenheugenis begeeft niemand zich 's nachts op de kleine, rotsachtige heuvel achter de stad, omdat de Maghu daar rondwaart. Op een avond in de herfst komt dan toch een reiziger over die weg, want hij heeft het koud, is van de lange reis vermoeid en wil de stad zo snel mogelijk bereiken. Na enig overleg kiest hij daarom voor de weg over de heuvel.

Al kort, dadat hij zich op deze weg bevindt, ziet hij niet ver van de weg een jonge vrouw, met prachtige lange haren, die daar wenend bij een bron zit. Hij gaat op haar toe, om haar te troosten, maar ze reageert niet op zijn woorden. Meermaals spreekt hij haar aan, Eindelijk beweegt ze zich en draait zich langzaam naar hem om. Als haar lange donkere haar ter zijde valt, wrijft ze kreunend met haar hand over haar gezicht. Het is leeg!

De reiziger wordt door naakte paniek aangegrepen als hij in dat niets staart, en jachtig rent hij over de heuvel, struikelt door het laatste struikgewas en ziet tot z'n opluchting op korte afstand de lamp van een verlate straathandelaar. Uitgeput loopt hij op diens wagen toe, valt er, vlakbij gekomen, op de grond, en stamelt, hulpzoekend "ze heeft het me getoond ... ze heeft het me getoond ...". De handelaar kijkt hem aan, en vraagt: "Heeft ze misschien dit laten zien?", en hij wrijft met zijn hand over zijn verdwijnend gezicht; dan dooft de lantaarn en de nacht sluit zich over de bewusteloze man.

Met de naam 'Maghu' (uitgesproken als 'Me-oe' korte e in Me) werd de Godin aangeduid door de pagan beweging 11) in Wales. Ze is de Godin, wier ogen hol zijn, en wier adem gif is. Ze geeft niet, voordat ze alles heeft genomen; en wat men dan krijgt, is op z'n best een hol gelach. Haar kleur is het zwart van de leegte; niet de verheven leegte, die alles omvat en alles in zich draagt, maar de leegte van het niets, waarin alles verzinkt en waaruit niets ontstaat. Haar sacrament is de vertwijfeling, haar hymne een koude doodsschreeuw.

Met dit, door de 'Pagan movement' opgebouwde beeld van de duistere Godin voor ogen, falen alle pogingen om aan dat duistere aspect toch nog enige vriendelijkheid en warme kanten toe te schrijven, wat wel een geijkt gebruik lijkt te zijn.
Zo wordt b.v. op de tarotkaart XII (de Dood) op de achtergrond een stralende zon getekend en dat wordt geïnterpreteerd als het afsterven van het oude om plaats te maken voor het nieuwe, enz. Haast niemand waagt het, de Maghu in het lege gezicht te kijken. Het mag dan mogelijk zo zijn, dat na de afgrond, na de Abyss der kabbalisten, na de duistere nacht der zielen der mystici, op allen alle wijsheid en licht wachten. Maar voor de persoonlijkheid, voor het ego, dat mystici en magiërs afleggen willen, komt dan als eerste alleen maar de afgrond en het niets. Daar is geen troost, geen zin en geen uitvluchten. De Maghu staat een ieder te wachten, zonder mededogen - daarin ligt haar gerechtigheid.

Dat Hecate toch, en desondanks dat alles, met recht de Godin van de diepste wijsheid is, en dat het Persefone is, die aan de mysticus de diepste zelfkennis schenkt, daarin ligt de paradox van de 'andere wereld', waarvan al enige malen sprake was, en die door de Kelten in steeds nieuwe verhalen gepresenteerd werd, en die ze het diepst in het mysterie van de natuur voelden.

wichmann32.jpg

AAN HEKATE 12)

Ik prijs haar, die langs de wegen troont,
De schaduwheerserin van het kruispunt, Hecate,
koningin van de hemel, vorstin der aarde,
Godin van de zee in haar saffraangewaad,
heerseres der graven, rijdend met de zielen der
doden in de zwevende trin der nacht;
Perseia, vriendin der eenzaamheid,
door snelvoetige herten verblijdt.
vriendin van de nachtelijke meute,
vreeswekkende heerseres!
Ongegordde, dieren verslindende,
met het onbedwingbare aangezicht,
rijdt weg met de stieren,
sleuteldragende heerseres van het al,
machtige richtinggevende, nymf,
die mannen vervult,
die doolt in de nachtelijke bergen:
jonkvrouw, hoor aan het gebed van de herder,
steun hem met genezende verzoening,
toon hem een genadig en vriendelijk hart!

(orfhische hymne)

Er is ook een sage, waarin verhaald wordt, dat in de nacht van Allerheiligen Hei of Perchta of ook Wodan met het leger van doden en wilde geesten over de velden, en door wouden en dorpen trekt.

En zo was vroeger ook het feest van sint Maarten op 11 november een aan Wodan gewijd oogstfeest, 13) waaraan nog de spookachtige optochten met lampions en andere duidelijk heidense gebruiken doen herinneren.

Het christelijke Allerheiligen werd in 834 door paus Gregorius IV van 13 mein naar 1 november verplaatst, om een belangrijk heidens feest in een christelijke context te zetten. Maar toch hebben Allerheiligen en Allerzielen (2 november) alsook de in in de buurt liggende dodenzondag de karakteristieken van het oude dodenfeest behouden. Weliswaar zet men, zoals destijds gedaan werd, geen eten en geen onbezette stoelen meer om het vuur, maar de graven worden nog versierd en schoongemaakt, en de doden worden herdacht. En in de katholieke kerk worden missen gelezen voor de zielen.

Donker is het feest van Allerheiligen en de donkere helft van het jaar volgt erop. „In the dead of the night and in the pit of the year" vieren de mensen van de Pagan Movement hun Samhainfeest, waarbij sterk geleund wordt op de hier geschilderde voorstellingen. En deze beschrijvingen wederom zijn gebaseerd op overleveringen der Kelten, die hier ook 'zelf' aan het woord zijn gekomen. Weliswaar is Samhain slechts één van de jaarfeesten,, en hebben de Goden ook hun heldere aspecten, maar wie in de winter bevriest, zal zich nauwelijks verheugen op het idee, dat z'n gebeente ooit door de zon verwarmd zal worden. En ook debomen moeten hun bladeren volledig afwerpen wanneer de herfst is gekomen, moeten de dood geheel accepteren, om de winter te kunnen overleven.


1) Alwyn u. Brinley Rees - Celtic Heritage 1961

2) Walisischer Mythenzyklus

3) F. Hetmann - Zaubermärchen aus Wales, Frankf. 1977, S. 84

4) Celtic Heritage, S. 90

5) Janet u. Stewart Farrar - Eight Sabbats for Witches, London 1981

6) Katherine Briggs - A dictionary of Fairies, New York 1977

7) Eight Sabbats

8) J G Frazer - Der Goldene Zweig, Frankfurt 1977, S. 922

9) Briggs, S. 58

10) George MacDonald - Phantastes, 1982, München, Hinner-Verlag

11)Een kleine heidense groep met het hoofdkwartier in Middenwales, wiens mythologie sterk op die der Kelten steunt.

12) Orpheus - Oudgriekse mysteriezangen, opnieuw in het duits verschenen bij Diederichs-Verlag, Köln. In dit boek zij vele authentieke griekse teksten van aanroepingen aan alle belangrijke goden opgenomen.

13) Das Große Ravensburger Buch der Feste und Bräuche - Sybil Gräfin Schönfeld, Ravensburg 1980

*) Dit verhaal lijkt op de japanse sage van de demonische 'Mujinna', en wordt door de auteur Lafcadio Hearn (1850 - 1904) in het boek „Kwaidan" (1904) vermeldt..

wichmann33.jpg

En de lijkenstoeten verdringen zich zonder gezang
op de reis door mijn ziel ... dan, beroofd,
huilt de hoop in mij, en genadeloos afgrijnzen
plant zwart zijn banier op het gebogen hoofd.

(Baudelaire)


Terug