|

Magische achtergronden van
de
Alruin
(Mandragora)
Verzameld, geordend en vertaald
door GardenStone
© Copyright GardenStone, 2000.
De bekendste en beroemdste onder
de magische planten, vaak toverplanten genoemd, is ongetwijfeld de alruin.Er bestaan
ontelbare verhalen over deze geheimzinnige plant. Zelfs in het oude Egypte schijnt
ze bekendheid te hebben genoten, want op een grafwand uit de 18 dynastie treft men
er afbeeldingen van aan. Het mag echter betwijfeld worden, of de plant daar destijds
als toverplant bekend stond.
Dat
ligt anders in de klassieke oudheid; bij de Grieken had deze plant een grote faam
bij liefdestover en vruchtbaarheidsrituelen.
De
alruin komt in veel verhalen onder verschillende namen voor. De romeinse geschiedsschrijver
Flavius vertelt in zijn »Geschiedenis der joodse oorlogen« over de plant
»Baara«, en later verschijnt ze als fabel in de griekse »Dierengeschiedenis«
van Claudius Aeliaus onder de naam »knospatos« (de door de hond uitgetrokkene)
of als »algaophotes« (de glanzende lichtende).
Ook
het heilige boek der Christenen, de Bijbel, vermeldt op twee plaatsen de Mandragora.
In Genesis XXX 14-16, wanneer Ruben de Mandragoravrucht van Lea's zoon Rahel afneemt,
om met behulp van de kracht van de plant onvruchtbaarheid te genezen. En op een
andere plaats, in het lied van Salomo, VII, 11-13, waar over de in de dichtkunst
veel bezongene jonge Sulamiet gesproken wordt. Deze Sulamiet, die de liefdestoverkracht
van de alruin kende, nodigt haar liefhebber uit met haar de natuur in te gaan, naar
een plaats waar de geur van de alruin hangt.
Het
oorspronkelijke thuis van de alruin is het huidige Palestina, vanwaar het naar Egypte,
dan naar Griekenland en daarna in de noordelijke landen belandde. Wie vandaag echter
op zoek gaat naar de alruin in onze streken, die zal de alruin gewoon in het wild
nauwelijks meer aantreffen, wie geluk heeft, en in Zwitserland zoekt, heeft nog
een kleine kans er eentje te vinden. Door de mensen gekweekt, als het ware als een
cultuurgewas, komt het vaker voor.
's
Nachts, zo gaat de mare, nabij de ruïnen van vervallen boerderijen kun je in
zeldzame gevallen de plant aantreffen, oplichtend als een ster. Dan moet je die
plek snel markeren, want bij de eerste zonnestralen zou je die plaats niet meer
terugvinden. Want overdag verstopt ze zich.
In
de morgen ga je dan naar die plek terug, die je gemarkeerd hebt, begeleid door een
zwarte hond, die je einige dagen lang hebt laten hongeren. Je vindt dan een plant,
waarvan de geelachtige bessen zo groot zijn als flinke pruimen. Het gebladerte is
dicht en bestaat uit brede, vleesachtige bladeren. De bovenkant van de bladeren
is ribbelig, zoals de huid van een krokodil. De kracht van deze plant is verstopt
in de aarde, het is de wortel, die wat gedraaid is, aan de onderzijde gespleten
en de gedaante van een mensje heeft.
Men zegt, dat ze mens noch plant
is, en dat elke aanraking tot de dood leidt. Nu steek je met een spade rondom de
plant, totdat nog een laatste stukje wortel in de aarde steekt. Dan bind je de hond
een stuk touw om de hals, en het andere uiteinde bevestig je aan de wortel. Verwijder
je dan een flink stuk van de plant, en laat de hond een lekker ruikend stuk worst
zien. Het dier, gekweld door de honger, will zich dan direct op dat stuk worst storten,
het touw spant zich, en de wortel wordt uit de grond getrokken. Dan moet de hond
direct sterven, want bij het uitrukken stoot de plant een door merg en been dringende
gil uit. Begraaf de hond direct op de plek, waar de plant stond. Nu heeft de plant
haar offer gekregen, en je kunt de wortel zonder gevaar aanraken en de vondst naar
huis dragen.
Sedert
vele eeuwen wordt aan de wortel in mensengedaante een genezende werking toegeschreven.
Zo zou dat in het bijzonder goed werken bij vallende ziekte (epilepsie) en oogproblemen.
De artsen uit Alexandrië scheidden met behulp van wijn de werkzame bestanddelen
uit de wortel en gebruikten dat brouwsel als een narcoticum.
Dit
werd zelfs ongeveer 200 jaar v.Ch. door de carthaagse veldheer Maharbal als oorlogswapen
ingezet tegen een drinkzuchtig afrikaans volk. Deze veldheer trok zijn leger ogenschijnlijk
terug en liet een grote wijnvoorraad achter met de alruindrank. De afrikanen, in
hun zegesroes, bedronken zich onmiddellijk. Door de werking van de alruin werden
ze slaperig waren niet meer in staat zich noch adequaat te bewegen, en konden daardoor
niet langer standhouden onder de daaropvolgende aanval van de carthaagse troepen.
Andere
mythen vertellen over het »galgenmannetje«, waarbij er sprake van zou
zijn, dat de alruin onder de galgen opgroeien, gevoed door de urine en het sperma
van een opgehangen misdadiger. De gevaren, die het uitgraven van een alruinwortel
daar met zich meebracht, waren te groot om het ook maar te riskeren. Daarom wird
ook aangeraden, om de wortel op de markt te kopen, waar ze voor veel geld te koop
werden aangeboden. De alruinwortel maakte de bezitter dan onverwondbaar, verleendde
grote vaardigheid in het gevecht en hielp bij leed en ziekte.
De
vele griezelige berichten rondom het uitgraven van de plant, vervulden de mesen
zodanig met angst, dat van de alruin beweerd wird, dat het hier een boosaardig levend
wezen betrof. Een vroegchristelijk verhaal beschrijft de alruin als een voorstudie
van de mens. Maar God had dat probeersel dan toch afgekeurd als hij later Adam uit
de rode aarde van het Paradijs schiep. Dat verklaart ook, waarom de alruin zo zelden
te vinden is, omdat de plant het liefst in de nabijheid van de Tuin van Eden groeit.
Maar
niet alleen in deze verhalen treffen we de alruin aan als een bewust agerend levend
wezen. Zo bestaat ook het verhaal, dat een nieuw verworven plant in wijn gebaad
dient te worden, dan in zijde te wikkelen en met zwart fluweel toegedekt dient te
worden. Daarna moet ze elke dag gebaad en gevoed worden. Over wat de alruin dan
dient te eten, gaan de opvattingen erg uiteen. Velen menen, het is voldoende, wanneer
men de hostie niet zelf opeet, maar de plant geeft, anderen zweren bij het voeden
met speeksel uit de vastentijd, en weer anderen menen, dat alleen de rode paradijsaarde
het geschikte voedsel is.
Hoe
dan ook, wanneer die verzorging vergeten wird, of slechts gebrekkig plaatsvond,
dan werkte de genezende kracht van de wortel niet langer, en kon zich zelfs tegen
de eigenaar keren.
In
andere culturen noemde men de alruin de »drakenpop«. Mogelijk heeft
dat te maken met het deense »drage«, wat zoveel betekent als trekken,
of aantrekken. De alruin heeft ook wel wat gemeen met een draak, want ook van de
draak, eveneens een fabelwezen, wird gezegd, dat, wanneer je hem of haar overwint
en in je macht brengt, je grote rijkdom, geluk, liefde en vruchtbaarheid kunt verkrijgen.
De alruin als talisman draagt dan ook deze symboliek.
Vanwege
de menselijke gedaante, die de wortel toegeschreven wordt, noemde de griekse wijsgeer
Pythagoras (plm. 600 v. Ch.) haar »anthropomorphos«, (op een mens gelijkend).
Een mens, die blijkbaar in de aarde opgroeide, zou al in een heel vroeg stadium
een hoog ontwikkeld denkvermogen hebben.
Zowel
de nederlandse naam alruin, als ook het latijnse Mandragora blijven enigszins raadselachtig.
Mandragora zou van het griekse »mandra« (stal) en »ageiro«
(ik verzamel) afgeleid zijn; dit, omdat in het volksgeloof van de plant gezegd wird,
dat ze het vee in de stal kon lokken.
De
herkomst van de naam »alruin« is tot op heden onduidelijk gebleven.
Men meent er het gotische woord »rana« in te herkennen, wat »geheim«
betekent, hetzelfde, wat ook in het woord »rune« voorkomt, en daarmee
ook verwant is. Vergelijk ook het duitse »Alraune«, waarin het oude
woord »raunen« (fluisteren) voorkomt. Verder bestaat het vermoeden,
dat het eerste deel van de naam »al« van »alb«, »Alve«,
dus »elf« komt, waarmee dan bedoeld wird, dat de mensachtige wortel
de geheimen van de elven kent, en dat zou haar grote kracht verklaren.
Het
oudste document, waarin het gebruik van de alruin voorkomt, is een oegaritische
spijkerschrift tekst uit de 14e / 15e eeuw v. Ch. Waarin de voorbereiding voor een
liefdes- of een vruchtbaarheidsritueel beschreven wordt. Het begint met de woorden:
»Plant Mandragora in de aarde..«, waarbij het hier natuurlijk in een
vertaling in onze schrift gaat. Ook de in de Bijbel vermelde plant »Doedaim«
wordt tegenwoordig zonder uitzondering met Mandragora vertaald. En ook de liegdesvruchten
(liefdesappels), die in het Hooglied voorkomen, zijn alruinwortels.
De
eerste wetenschappelijke beschrijving van deze geheimzinnige plant stamt van de
griekse arts Dioskurides, die in de eerste eeuw na Ch. leefde. Hij schrijft:
"De Mandragora, door enigen tegengif, door anderen heksenkruid genoemd, omdat
de wortel de liefdeskunsten schijnt te bevorderen, is tweegeslachtig. Die zwarte,
die als vrouw aangezien wordt, heet »thridacias«. Ze heeft smallere
en kleinere bladeren dan de »Lattich« (een voorvorm van de kropsla),
zijn giftig, stinken, en vormen een rozet op de grond. Ze heeft appeltjes, die er
ongeveer zo uitzien als die van de vogelkers. De appeltjes ruiken goed, zijn bleek
en hebben peervormige zaden. Ze staat stevig in de aarde met sterke wortels, die
met twee of drie in elkaar verstrengeld zijn. De plant heeft geen Stengel. De andere
alruin is de witte, het mannetje, die ook wel »Norion« wordt genoemd.
De bladeren zijn groot, breed en glad, zoals bij de voederbieten. De appels zijn
bijna dubbel zo groot als bij de eerste soort, zijn saffraankleurig, ruiken aangenaam,
iets verdovend, de herders eten er soms van en worden dan verdoofd. De wortel is
ongeveer zolas de andere, maar wel iets groter en witachtiger. Ook deze plant heeft
geen Stengel. Er wordt gezegd, dat er nog een andere alruin zou bestaan, die »Morion«
heet, op schaduwrijke plaatsen bij rotsholen groeit, met bladeren die ongeveer gelijk
zijn aan de witte Mandragoram maar kleiner, meer wit en een rozet om de wortel vormen.
Ze is zacht, wit, iets groter dan een hand, en ongeveer zo dik als een duim."
Van
de middeleeuwse natuuronderzoekers heeft Hildegard von Bingen (1098-1179), die als
Abdes op de Rubertsberg bij het duitse stadje Bingen werkte, zich diepgaand met
de alruin beziggehouden. Omdat ze de plant zelf echter niet beschrijft, mag men
er van uitgaan, dat ze de plant niet zelf heeft gezien. Zij heeft zich ook alleen
op de wonderen, die de plant zou bewerkstelligen, gericht. Ze schrijft:
"De
Mandragora is warm, enigszins waterig, en komt uit die aarde, waarvan ook Adam geschapen
wird. Ze lijkt wat op een mens. En juist vanwege dat mensachtige voorkomen, heeft
ze meer van de duivelse verleider in zich dan andere kruiden en belaagt ons. Vandaar
dat de mens er door in zijn gevoelens geraakt word, of die nu slecht zijn of goed,
zoals dat ook het geval is met afgodsbeelden. Wanneer men ze uit de aarde heeft
getrokken, moeten ze zo snel mogelijk een dag en een nacht in bronwater gelegd worden.
Daardoor wordt alles boze en alle schadelijke vochten uitgedreven, zodat ze voor
magische kunsten en tovenarijen niet meer deugt. Wanneer men haar echter uit de
aarde trekt en bewaart met de aanhangende aarde, dus de plant niet op de voorgeschreven
manier wast, dan is ze schadelijk en kan voor vele magische doeleinden gebruikt
worden. Men kan er dan al die slechte dingen mee doen, die ook met afgodsbeelden
gedaan worden. Wanneer nu een man door die magische invloeden of uit vleselijke
lust, zich niet kan matigen, dan moet hij de vrouwelijke gedaante van de plant,
nadat ze in bronwater is gewassen, deze met inhoud drie dagen en drie nachten tussen
de borst en de navel vastbinden, daarna de vrucht in twee delen splijten en die
net zo lang op beide lendenen dragen. Dan de linkerhand van die gestalte fijn wrijven,
met wat kampfer vermengen en het dan eten. Dan zal die persoon genezen."
Voor
vrouwen beveelt Hildegard von Bingen hetzelfde middel aan. Alleen dient nu de mannelijke
gedaante en de rechterhand genomen te worden. Ze noemt de alruin ook als geneesmiddel
tegen hoofd- en keelpijn, waarbij de gelijke delen van de mensachtige plant gebruikt
dienen te worden. De mannelijke planten zouden een sterkere werking hebben dan de
vrouwelijke, wat wel samenhangt met het geloof uit die tijd, dat de man van nature
sterker en belangrijker is dan de vrouw.
Het
winnen van de alruinwortel wordt als heel moeilijk beschreven. Wanneer men haar
zoekt, probeert ze zich te verbergen. Dit kan men verhinderen, door er, zodra men
haar ziet, met urine te begieten.
In
de volksmond heet het alruinmannetje ook wel "broedmannetje", omdat hij
de eigenschap zou hebben, uitgegeven geld weer tot de oorsrponkelijke hoeveelheid
aan te vullen.
Omdat
de alruinwortel zo zeldzaam was, en de prijs ervan daarom erg hoog was, leidde dat
ook tot vervalsingen, waarvoor hoofdzakelijk de heggerank (bryonia) gebruikt werd.
In het bijzonder de duitse keizer Rudolf II (1576- 1612), die veel platen uit de
Oriënt liet komen, was een groot liefhebber van de alruin. Eigenlijk pas in
de 16e eeuw kwamen de eerste kritische geluiden tegen het (bij)geloof
in de krachten van de alruin. En botanici wijzen op de zeer vele vervalsingen, waardoor
nog maar heel weinig mensen werkelijk weten, hoe de echte alruin eruit zag.
Esoterische bijzonderheden:
Planeet: Mercurius
Element: Aarde
Vibratie: Gering, heet
Gewijd aan: Hecate, Hathor, Circe
Terug
|