Grimnismal 4 (de vertaling van Benjamin
Thorpe, tenzij anders genoemd): Heilig is het
land, dat ik voor Azen en Alfar zie liggen; maar in Thrudheim zal Thor
wonen totdat de krachten afnemen.
Grimnismal 5: Ydalir wordt het genoemd, waar Ull voor zichzelf een woning heeft
gemaakt. Alfheim, werd ooit aan Frey door de goden gegeven als een tandgift.
Deze drie woonplaatsen worden als eerste genoemd, zelfs voor Odin’s hallen, en
in nauwe relatie met elkaar. De dichter plaatst de Elven in nauwe verbinding
met zowel Thor als Frey, de Azen en de Vanir. Ull wordt genoemd tussen deze
twee representanten van de bekende godenfamilies en zijn woning Ydalir wordt,
als het ware, in dezelfde adem genoemd als Alfheim. Dit is niet zonder redenen.
Het zou een vergissing zijn om aan te nemen
dat alle woonplaatsen die in de eerste paar coupletten van Grimnismal genoemd
worden in Asgard gelegen zijn. Alfheim wordt terecht een apart gebied gezien,
(één van de negen werelden, zo U wilt). En ook, Thrymheim, Skadi's
verblijfplaats "waar Thjazi woonde, die almachtige Jotun". (coupl.
11) Dus moeten de mogelijkheid onder ogen zien dat Ydalir geen hal in Asgard
is, maar dat het ergens anders ligt en mogelijk geassocieerd moet worden met
Alfheim.
We weten dat Ull een boogschutter is en een sneeuwschoen-loper. Snorri verteld
ons in Gylfaginning 21 "Eén wordt Ullr genoemd, zoon van Sif en stiefzoon
van Thor, hij is een geweldige boogschutter en zo snel op zijn sneeuwschoenen,
dat niemand met hem kan wedijveren". (Arthur Brodeur, Engelse vertaling).
De naam van zijn woning, Ydalir, betekent letterlijk "de ijf-dalen."
Ijf (of taxus) is gewoonlijk het hout dat in heel Noord-Europa gebruikt werd om
bogen te maken. Zelfs Ötzi, de ijsman, zijn boog bleek van dit sterke,
flexibele hout gemaakt te zijn. Het is daarom geen verrassing dat de woning van
Ull Ydalir genoemd wordt, omdat hij beroemd is als boogschutter. Over de
sneeuwschoenen van Ull vertelt Saxo ons dat deze van een zeer speciale aard
zijn, een menig die door andere Heidense bronnen wordt gedeeld. In hoofdstuk 3
van zijn Deense geschiedenis vertelt Saxo ons dat Ollerus (een verlatijnste
vorm van Ull) “zo’n sluwe tovenaar was dat hij een bepaald bot gebruikte, dat
hij had beschreven met verschrikkelijke spreuken, waarmee hij de zeeën kon
oversteken, in plaats van met een schip" (Oliver Elton’s Engelse
vertaling). Met andere woorden, Ull was in staat over open water te schaatsen
met behulp van runen-bekraste sneeuwschoenen. Het lijkt dat ze ook als een
schild gebruikt konden worden. Dit wordt bevestigd door een ander begrip voor
een schild, dat het "skip Ullar," Ull’s schip noemt; en een parafrase
in de Edda zeg "Ullr ŕtti skip that, er Skjöldr hét," Ull bezit het
schip dat Schild genoemd wordt.
De Heidense bronnen noemen ook andere mythische personen die gelijke
karaktertrekken hebben. We vinden eigenlijk een hele groep karakters die bekend
staan als jagers en sneeuwschoen-renners. Onder hen treffen we Skadi, Thjazi's
dochter, aan, "haar sneeuw-schaatsen onderbinderd en haar boog
pakkend". (Gylfaginning. 24, I.A. Blackwell's Engelse vertaling hierna
tenzij anders genoemd). Als een dochter van de gigant Thjazi, noemt Haustlaung
7 haar "öndor-gođs," een parafrase van de bijnaam van Ull zelf
"öndur-ŕss", de god van de sneeuwschoenen (Vigfusson Dictionary, p.
764). Dus ook zij lijkt deze unieke karaktertrekken met Ull gemeen te hebben. En
hiermee is de lijst met zulke karakter niet uitgeput.
In het openingsgedicht van Volundarkvida, noemt de verteller de namen van drie
broers Slagfin, Egil en Volund, die "op sneeuwschoenen gingen en op wilde
beesten joegen". De tekst van het gedicht noemt Volund specifiek als
"prins van de elven" en een "wijze elf." We kunnen dus
aannemen dat hij en zijn broers elven waren. Volund, Egil en Slagfin worden
specifiek sneeuwschoen-lopers en jagers genoemd in Volundarkvida 4, 8, mocht iemand
het gedicht ter discussie willen stellen. In andere bronnen wordt Volund's
broer, Egil, herinnerd als een boogschutter. Ik noem slechts de meest bekende,
maar er zijn verschillende anderen:
Heimskringla (Harold Grĺfälls, hoofdstuk 18), haringen worden daar "örum
sćvar" ofwel pijlen van de zee genoemd, terwijl pijlen daar "minar
hlaupsildr Egils gaupna" genoemd worden ofwel de snelle haringen van de
handen van Egil. (Ik heb geen Oud-Noorse tekst van Heimskringla tot mijn
beschikking dus corrigeer me maar als ik het fout heb. Ik volg hier Viktor
Rydberg, TM p. 850 en UiGM p. 367. Ik gebruik slecht deze referentie omdat het
later ergens anders bij aansluit).
In Volundarkvida 2 (Codex Regius) leren we dat één van de bijnamen van Volund
"Onnund" is (zie de Oud-Noorse tekst omdat dit gewoonlijk als Volund
vertaald wordt in de Engelse taal om verwarring te voorkomen)
In Saxo Gramaticus' History, noemt hij ene Annundus aan de zijde van de
boogschutter Toko (Boek 7). Ik zal geen poging doen om de hier genoemde
gebeurtenisen aan de mythen de verbinden, maar ik weet en kan aantonen dat ze
verbonden zijn. Bovendien verhaald Saxo in boek 10 het beroemde verhaal van
Wilhem Tell, die een pijl op het hoofd van zijn zoon afschoot, van de
boogschutter Toko. Vilkinasaga vertelt hetzelfde verhaal over Volund’s broer
Egil. Uit de referenties blijkt dat het duidelijk is dat Egil-Toko, de broer
van Volund-Annund een boogschutter is en vermoedelijk ook een beroemde.
Een vergelijking van de Heidense geschriften
toont aan dat deze karakters, Egil en zijn broers, in nauwe verbinding staat
tot Thor. Laat ons eerst verhalen onderzoeken met betrekking tot Egil
In zijn avonturen in het land van de giganten
wordt Thor vaak afgebeeld als in zijn geit-getrokken strijdwagen rijdend naar
Jotunheim, maar een zorgvuldige analyse geeft de suggestie dat hij nimmer
daadwerkelijk met zijn gewaardeerde koppel in vijandig gebied stuurt. Hoewel de
bronnen hem afbeelden dat hij met zijn geiten-kar richting Jotunheim rijdt,
ontmoet hij zijn vijandige giganten te voet. Hij heeft een plaats onderweg waar
hij kon stoppen, waar zijn kar en geiten veilig konden worden ondergebracht
totdat hij terug kwam. Harbardsljod 3 geeft indirect steun aan deze indicatie
wanneer het spreekt over Thor's reis als "sildr ok hafra," haring en
hij-geit, die hij in een mand op zijn rug draagt. Thor meldt dat hij al de hele
dag in het land van de giganten aan het reizen is, (hij is op de terugreis naar
"Odin's land," coupl. 56), maar die ochtend at hij zijn ontbijt
"í hvílđ" rustig, in andere woorden met een gevoel van veiligheid,
voordat hij vertrok. We hadden al gezien dat Egil met haringen geassocieerd
wordt en hieronder zal ik aantonen dat Egil ook verbonden is met de gerwoonte
van Thor om zijn geiten te offeren en op te eten. Dus wanneer van Thor wordt
gezegd dat hij “haring en hij-geit” draagt wanneer hij op weg is naar
Jotunheim, heeft de skald vermoedelijk willen wijzen op een zeer bekende
mythische omstandigheid met betrekking tot Thor en zijn geiten. Dit is het beschikbare bewijs:
Hymirskvida 6 & 7 vertelt ons dat ooit, toen Thor en Tyr naar Jotunheid
reisden om een ketel van de gigant Hymir te kopen, zij onderweg stopten en het
geitenkoppel achterlatend voordat ze hun reis naar Jotunheim vervolgden. De
naam van de húsbóndi is Egil.
Hymirskvida 6: "...Snel reisden ze die dag vanuit Asgard totdat ze bij
Egil's kwamen"
(Thorpe vertaalt "Egil" als "giant," maar de Oud-Noorse
teksen luiden "Egil," zie ook Vigfusson's CPB, p. 220, Gudni
Jonsson's Eddukvaedi, pg.131, en elders. Dit staat niet ter discussie. De tekst
luidt "unz til Egils kvamu")
Hymirskvida 7: "Thor parkeerde zijn geiten, prachtig van hoorn, daarna
liep hij naar de hal die eigendom was van Hymir."
We weten dat een water het huis van de zonen van de goden scheidde van het huis
van de zoenen van de giganten. Vafthrudnirsmal 16 noemt deze stroom
"Ífing." Ulf Uggesson, in een couplet behouden in Skaldskaparsmal 4
noemt de baai waarop Thor en Hymir roeien, Vimur. Thorsdrapa 3 karakteriseerd
deze zelfde stroom als "Gandvik," de Magische baai. Hymirskvida 5
vertelt ons dat Hymir ten oosten van de Elivagar (Ijzige golven) woont,
"austan elivaga" en in couplet 17 roeien hij en Thor "ŕ vŕg
roa," op de golven, hetgeen zekerheid verschaft dat het huis van Hymir
nabij water ligt. Er schijnt geen overeenstemming te zijn over het feit hoe dit
water genoemd wordt, maar dat is niet ongebruikelijk, omdat alle zaken in
mythen op vele manieren genoemd kunnen worden, zolang de omstandigheden
voldoende duidelijk zijn om het te herkennen. Dat is juist het kenmerk van de
skaldische kunst.
Coupletten 36, 37 en 38 van Hymirskvida hebben
het ook over dit water. Hoewel het niet specifiek zegt dat Thor de zee
oversteekt maakt de beschrijving het voldoende duidelijk. De dichter hoeft het
niet duidelijk te noemen omdat het wel begrepen werd dat dit de normale manier
van Thor was om van en naar het land van de giganten te reizen. We putten dit
uit het gewicht van het bewijs: Bijvoorbeeld, in Harbardsljod, Thor moet zo’n
rivier oversteken. In Skaldskaparsmal 17, vertelt Snorri ons dat Thor ooit de
held Aurvandill over de rivier de Elivagar in een mand op zijn rug droeg op de
terugweg van Jotunheim.(Hier wordt de Elivagar voorgesteld als liggende tussen
de wereld van de goden en de thuisbasis van de giganten, vergelijk dit maar met
de coupletten uit de Hymirskvida die hierboven werden genoemd.) Met betrekking
tot de laatste opmerking moet men onthouden dat Snorri meldt dat de Elivagar op
en uit de Hvergelmir stroomt, één van de wereldbronnen die Yggdrassil voeden (Gylfaginning
5). Met dit kunnen we Grimnismal 28 vergelijken, die één van deze rivieren, die
uit Hvergelmir stromen, noemt bij zijn Oud-Noorse naam "Hraunn." (In
sommige vertalingen Hrön). Hymirskvida 36 & 38 gebruiken deze zelfde naam
voor het betrokken water.
Wanneer we het hebben over de giganten in Hymir's gaard, die Thor en Tyr
achtervolgen, danzegt de skald dat Thor met de moorddadige Mjollnir zwaaide en
iedere "Hraunn-hvala" Hraunn's whales neersloeg (Coupl. 36). Met
andere woorden: hij doodde de giganten die achter hem aanzwommen of waadden in
de Hraunn, de grenswateren tussen het land van de giganten en de woonplaats van
de zoenen van de goden. Maar nadat hij zijn geitenkar had opgepikt (waarvan we
weten dat die bij Egil werd gestald) ontdekt hij dat één van de geiten mank is.
In Hymirskvida 38 zegt de skald dat iemand die een beetje bekend is met de
verhalen van de goden kan vertellen wat de beloning is die Thor kreeg van de
"Hraunn-bua,"de Hraunn-bewoner. Vigfusson en anderen vertalen dit met
"de rots bewoner" daarbij Egil als een gigant beschouwend. Maar in
vergelijking met couplet 36 ontdekken we dat de skald iets geheel anders
bedoelt. Hij bedoelt Egil, degene die bij de rivier de Hraun woont
Snorri verheldert deze passage verder voor
ons. In Gylfaginning 45, he beschrijft een traditie die ons vertelt dat Thor,
terwijl hij ooit bij de woning van een boer (waarvan hij de naam niet noemt)
stopt zijn geiten neerslaat en hen als avondeten serveert voor het verzamelde
volk, tesamen met de waarschuwing dat ze geen van de beenderen mochten. Maar
Loki, altijd de goden dwars willen zittend, overtuigt een jongen, Thjalfi
genaamd, uit dat huishouden om een bot te breken en het merg daaruit te zuigen.
Op de overblijvende geitenhuiden en beenderen slaand, zorgde Thor er voor dat
de geiten weer tot leven werden gebracht, maar eentje was nu mank aan zijn
achterpoot. Om de woede van de god te sussen gaf de boer zijn zoon en dochter,
Thjalfi en Roskva, als bedienden aan Thor. Hymirskvida 38 vertelt dat de
Hraunn-bewoner, die we als Egil kennen, met zijn “beide kinderen” betaalde. Het
is duidelijk dat Snorri en de Hymirskvida skald hier over hetzelfde incident,
beroemd onder de oeroude heidenen, verhalen. Dit wordt volledig ondersteund
door het ingewikkelde gedicht Thorsdrapa dat spreekt over Thjalfi als een lid
van een huishouding nabij dit water, daar "Gand-vik" genoemd.
De sleutel om deze lastig kennis te begrijpen wordt gevonden in Thorsdrapa, die
het heeft over Thor’s reis naar Gerriod's gaard, is om de verhaal te scheiden
van het verhaal dat Snorri vertelt. Snorri verhaalt dat in dit geval alleen
Thor, Thjalfi en Loki naar Jotunheim reisden en dat Thor wapens droeg die
geleverd waren door de vrouwelijke gigant Grid, omdat Loki hem ervan overtuigd
had om Mjollnir achter te laten. De beide versies kunnen niet met elkaar in
overeenstemming worden gebracht en, hoewel ik het hier verder niet wil
behandelen, kan uit delen van het gedicht gedestilleerd worden dat Snorri dit
verhaal over de reis van Thor naar de gigant Gerriot gevormd heeft op basis van
kennis die hij uit het gedicht heeft gehaald. Maar hij heeft dat gedicht niet goed
begrepen
Het gedicht Thorsdrapa beschrijft Thor die
naar Jotunheim reist aan het hoofd van een hele troep strijders. Dit wordt
duidelijk gemaakt door verschillende passages in het gedicht, bijvoorbeeld in
couplet 8 waar men hen de "wijze mannen van het Viking huis, eedgebonden
aan Guat (Odin)," eiđ-svara Guata setrs víkinga snotrir." Ze kunnne
worden gekenschetst als Vikingen omdat ze bij Gand-vik wonen, de Magische-baai
(en wellicht tevens een verwijzing naar Jormun-gand, voor wie Thor en Hymir
gingen vissen). Thorsdrapa 2 zegt dat toen "Gordel-drager (Thor)", nu
net zoals bij vorige gelegenheden, Odin verliet op weg naar het land van Ymir,
hij werd “gesterkt” door de mannen van het huis van Idi op Gandvik. Dat de
dichter over dezelfde poetische persoonlijkheden spreekt als boven is uitgelegd
wordt duidelijk door de twee bijnamen voor giganten die aan het eind van het
gedicht worden aangetroffen. De eerste "Alfheims kalfa" (coupl. 19),
de kalveren van Alfheim. Dat een gigant een Kalf genoemd kan worden heeft een
precedent in de naam "Mist-kalf," de metgezel van klei van Hrungnir.
De tweede bijnaam wordt aangetroffen in Thordrapa 19 en is het stenen-volk van
"hval-lŕttrs Rygja," een bijnaam die het stenenvolk schijnt aan te
duiden (een gewone parafrase voor giganten) van de “walvis-geboorte-kust”.
Dit lijkt te wijzen op het idee dat de dichter de giganten ziet als de rituele
kalveren voor de strijders in Alfheim, die leven aan de andere oever van de
rivier de Elivagar. Alfheim wordt voorgesteld als liggende in het oosten.
Verder oostelijk over de rivier de Elivagar treffen we Jotunheim aan. Dus zijn
de Elven de eerste lijns-verdediging van de goden tegen de machten van koude en
werken nauw met hen samen in de verdediging van Midgard tegen hun aanvallen. De
aanwezigheid van walvissen, zowel in Hymirskvida als in Thorsdrapa, vertelt ons
dat het geen gewone riviers is maar de. Dus Jotunheim ligt aan de overkant van
een grote oceaan ten oosten van Alfheim.
Bij zijn reizen naar Jotunheim wordt Thor voorgesteld als rijdend met zijn
geiten-kar van Asgard naar Alfheim. Het is een reis die ongeveer een dag duurt.
Daar verfrist Thor zich en brengt daar de nacht door voordat hij doorreist
naar. De normale tol van het huis lijkt haring (“sil”) te zijn, wat niet
verwonderlijk is omdat het huis aan de kust van de oceaan ligt, en de hij-geit
("hrafa") die door Thor wordt aangeleverd. Indien noodzakelijk kan
Thor een bende strijd-elven, de beowners van dat huis, bijeen krijgen om hem te
vergezellen bij zijn strijd tegen de giganten. Het lijkt er zelfs op dat ook de
elven zelf, onafhankelijk van Thor, incursies in Jotunheim maken. De
bovenstaande voorbeelden zijn bedoeld om dit te verhelderen en zijn in geen
geval de enige referenties voor deze mythische voorstelling van zaken.
Om nog meer inzicht te krijgen in de relatie tussen de Azen en de Elven moeten
we de term "Iđjas setr" onderzoeken als een benaming voor een hal in
Alfheim. Deze benaming betekent simpelweg "Idi's huis" en kan het
beste begrepen worden in verbinding met twee andere bijnamen die nabij
aangetroffen kunnen worden. Dit zijn "Gang" in couplet 4, hetgeen een onderdeel vormt van de
bijnaam "Gang's Vanir," en hier wordt gebruikt als een kenmerk voor
de mannen van het huis van Idi, waarvan we al ontdekt hadden dat het Elven
waren, en de naam Rognir in couplet 3. Wanneer we deze namen samenvoegen --
Idi, Gang en Rognir – dan vormen ze een groep karakters die ons onmiddellijk
herinneren aan All-valdi's of Öl-valdi's zonen, vaak Idi, Gang en Thjazi
genoemd (The Grotto-song en in de Vroege Edda). Zij zijn Elvenprinsen en
smeden, elders Zonen van Ivaldi genoemd.
In mijn volgende brief zal ik de smeden proberen te identificeren die bekend
staan als de Zonen van Ivaldi en zal aantonen dat de oude skalden ze kenden.
Niet alleen als giganten (en er zijn vele redenen om dat te denken), maar ook
als de elf-smeden, de Zoons van Ivaldi, die de Odin’s speer Gungnir en Frey's
boot Skidbladnir smeedden. In de derde aflevering zal ik pogen aan te tonen dat
Ull de zoon van de boogschutter en elvensmid Egil is. Skadi, zoals je al weet,
is de dochter van Thjazi, meestal een Jotun genoemd. Uit de geschriften die ons
nog ter beschikking kunnen we afleiden dat deze groep sneeuwschoenlopers en
boogschutters de Elven zijn, de derde heilige klasse zo vaak naast de Azen
genoemd.