|
De Azen & de Elven:
de zonen van Ivaldi
“We moeten ons tevreden stellen met een slechts imperfect en schetsmatig begrip van de oude religie. Maar dat geeft ons niet het recht om maar te denken dat de religie zelf dus ook primitief en incompleet was. We moeten onthouden dat geen uitgebreide directe informatie over de heidense religie opgetekend werd tot twee volle eeuwen na de bekering tot het Christendom, en de generaties die nadien gekomen en gegaan zijn stonden, of schenen dat te staan, vijandig ten opzichte van deze heidense ketterij.” “De oudste gedichten in de Edda vertonen ook verschillende aanwijzingen van inkorting en verandering – waarvan sommige uiteraard het gevolg zijn van fouten als gevolg van het overzetten naar geschreven taal. Aan de andere kant lijkt het een onontkoombare conclusie te zijn dat verhalen die in proza verteld werden altijd samen hebben bestaan met verhalen in versvorm. Veel van de heroďsche verhalen zijn zodanig gestructureerd dat het duidelijk is dat de dichter er van uit ging dat het publiek meer wist over het onderwerp dan de gedichten zelf tonen: een hele legende zit in de achtergrond van het vers.” Professor Jónas Kristjánsson, voormalig hoofd van het Arni Magnússon Instituut te Reykjavik, Ijsland, schrijvend in “Icelandic Manuscripts: Sagas, History, and Art”; vertaald naar het Engels door Jeffrey Cosser; The Icelandic Literary Society, 1996. De Aesir en de Elven hebben een speciale relatie gemeen. Ze worden vaak samen in de verhalen genoemd: Havamal 159: "Wanneer in het gezelschap van mensen moet
ik de goden, zowel Aesir en Elven, opnoemen. Ik weet van allemaal wat hen
aanzien geeft... " Völuspá 48, Ţyrmskviđa 7: "Hoe gaat het met de Aesir en de Elven?" Grímnismál 4: “Het land dat ik zie liggen nabij de Aesir en de Elven” Sigrdrífumál 18: “Ze zijn onder de Aesir; ze zijn onder de Elven” De skalden associëren de Aesir vaak met de Elven en toch is er schijnbaar maar weinig bekend over de stam van de Elven, genoeg geacht door de eeuwenoude skalden om hen tíva, “goden” (Hávamál 159) te noemen. Door de vele referenties over hen in de Edda-ische en skaldische gedichten kunnen we veel over de Elven te weten komen.
De Zonen van Ivaldi In de mythische bronnen treffen we twee gelijke soorten Elven aan: de
beroemde handwerkslieden, bekend als de Zonen van Ivaldi (Ívaldasynir)
en de tragische handwerksman, genaamd Völund (Wayland Smith), samen met zijn
broers Egil en Slagfin. Met betrekking tot de Zonen van Ivaldi, bevat de Vroege Edda een mythisch
fragment, dat ons poogt te informeren waarom goud “Sif’s haar” genoemd kan
worden. Dit wordt in het algemeen herkend als het verhaal van hoe Thor zijn
hamer Mjöllnir in bezit kreeg. In Skáldskaparmál 35 krijgen we te horen dat
Loki, omdat hij het leuk vindt om kattenkwaad uit te halen, al het haar van Sif
afsneed. En dat toen Thor daarvan hoorde hij dreigde alle botten in het lichaam
van Loki te breken tenzij hij naar de “Zwarte Elven” (svartálfum) zou
gaan en hen voor Sif haar van goud, dat groeide als echt haar, zou laten maken. Eerst bezoekt Loki enkele “dwergen” (dverga), die Zonen van Ivaldi
genoemd worden en die het haar voor Sif, het schip Skidbladnir voor Frey en de
speer Gungnir voor Odin maken. Na de
tijd zet Loki zijn hoofd in bij een weddenschap met de dwerg Brokk dat diens
broer Sindri (of Eitri) geen drie schatten kan maken die zo goed als
bovenstaande drie waren. Hoewel Loki zijn best doet om de pogingen dwars te
zitten creeert Sindri het everzwijn Gullinbursti voor Frey, de ring Draupnir
voor Odin en de hamer Mjöllnir voor Thor.
Uiteindelijk jureren de goden dat hun werken superieur zijn. Maar Loki,
naar zijn aard, ontloopt zijn verplichtingen en wurmt zich onder de afspraak
met de artiesten uit. Onthouden van het
recht om het hoofd van Loki af te snijden naait Brokk in plaats daarvan diens
lippen dicht. We worden niet verteld hoe de Zonen van Ivaldi op dat oordeel
reageerden omdat ze niet aanwezig waren. De betrouwbaarheid van deze mythe wordt deels bevestigd door een poëtische
referentie die gevonden wordt in Grímnismál, vers 43, welke luidt:
De enige andere dichterlijke verwijzing naar de Zonen van Ivaldi treffen we in het gedicht in de Edda, Hrafnagaldur Óđins, aan, recent door de IJslandse geleerde Jónas Kristjánsson beoordeeld als zijnde een oorspronkelijk deel van de Edda. Het gedicht verhaalt over de periode dat Idunn niet in Asgard verbleef. Hrafnagaldur Óđins, vers 6, luidt:
Hier ontdekken we dat Idunn de dochter van Ivaldi is. Bovendien hoort zij
tot het ras van de Elven. Het is belangrijk om op te merken dat Ivaldi twee
series kinderen had, een oudere en een jongere. Idunn is de jongste van de
eerste (dus de oudste) serie. Omdat ze dezelfde vader hadden is het logisch om
te veronderstellen dat deze series kinderen verschillende moeders hadden.
Daarom is Idunn ofwel de zuster ofwel de halfzuster van de beroemde
handwerkslieden, de Zonen van Ivaldi. Dat ze hier Elven genoemd worden moet niet als tegenstelling gezien worden.
In Skáldskaparmál, zoals we gezien hebben, worden ze zowel svartálfar
genoemd alswel dvergar. En in dit opzicht zouden we ons moeten
herinneren dat Völuspá’s dwergen-lijst de namen van verschillende elven bevat:
Alfr, Gandalf, Vindalf, etc. Kennelijk zijn deze distincties niet zo scherp als
we tot nu toe dachten. De bronnen hebben verder niets meer te zeggen over Ivaldi’s zonen. Echter
met betrekking tot de naam Ivaldi treffen twee parallelle vormen aan die van
belang kunnen zijn: Ölvaldi and Allvaldi. In Skáldskaparmál 4, leren we dat Ölvaldi drie zonen heeft: Thjazi, Idi en
Gang. (Een soortgelijk trio namen treffen we in een poëtische bron, het
Grotto-lied, vers 9, aan: Thjazi, Idi en Aurnir.) Van deze Thjazi wordt gezegd dat dit hetzelfde wezen is dat ooit
Idunn kidnapte tegelijk met haar appels van verjonging. In Hárbardsljóđ 19
lezen we dat de vader van de gigant van wiens ogen Thor sterren maakte Allvaldi
wordt genoemd. Dus zijn Ölvaldi en Allvaldi varianten van dezelfde naam. En
omdat we deze naam al in minimaal twee vormen aantreffen zouden we de
mogelijkheid niet moeten uitsluiten dat er nog andere vormen zijn. Wat deze namen
gemeen hebben is het achtervoegsel –valdi. Dus hoort, misschien, Ivaldi
ook tot deze groep. Maar geven de bronnen ons een aanwijzing dat de zonen van
Ölvaldi-Allvaldi smeden zijn, zoals de zonen van Ivaldi waren? Na het verhaal van de ontvoering van Idunn, vertelt Snorri een merkwaardig
verhaal over de Zonen van Ölvaldi. Hij zegt dat, na de dood van hun vader,
Thjazi en zijn broers zijn goud onderling verdeelden, ieder een gelijk deel in
hun mond nemend. Dus kan goud worden beschouwd als de spraak van deze giganten.
Als bewijs hiervan ontdekken we twee synoniemen voor goud in het deels bewaard
gebleven oeroude gedicht Bjarkamál in fornu, dat voorkomt in
Skáldskaparmál 45. Dat zijn Thjaza thingskil, “Thjazi’s verklaring” en Iđja
glysmál, “Idi’s blinkende speech”. Als de deze synoniemen onderzoeken dan hebben we een goede reden om de
waarachtigheid van de bewering van Snorri te betwijfelen. Het lijkt er bijna op
alsof de verklaring voor de synoniemen voor goud, Thjaza thingskil en Iđja
glysmál, ter plaatse verzonnen waren. Meer en meer komen geleerden tot de
ontdekking dat Snorri verhalen zoals deze heeft gecreëerd om obscure gedichten
in de oudere gedichten te verklaren. Hier vinden we deze korte en snelle
verklaring die is opgenomen aan het einde van het verhaal van Thjazi en Idunn.
En dus moet het verder onderzocht worden. Thingskil heeft het zeer correct over een verklaring voor een
gerecht (i.e. een “Thing”).
Anthony Faulkes definieert het als “zaken voor een vergadering”, “declaratie
voor een vergadering” (“Skáldskaparmál: Glossary and Index of Names”). Waarom
zou goud moeten worden gezien als “Thjazi’s verklaring voor een Thing”? Weten
we van enige mythische omstandigheid waarin gouden kunstvoorwerpen, gemaakt
door Thjazi, dienst doen als verklaring in een rechtbank? Indien Ölvaldi-Allvaldi’s zoon Thjazi ook een van Ivaldi’s zonen is, dan is
het antwoord: ja. In de wedstrijd van de artiesten, zoals hier boven is
beschreven waren de Zonen van Ivaldi niet aanwezig toen hun werk voor een
tribunaal van goden werd beoordeeld. Hun gouden kunstwerken waren stille
getuigen van hun vaardigheden als handwerkslieden. Omdat Ivaldi’s zonen niet
aanwezig waren om voor zichzelf te spreken sprak hun werk figuurlijk gesproken
voor hen. Als Thjazi en Idi, Ölvaldi-Allvaldi’s zonen, identiek zijn aan
Ivaldi’s zonen, dan zouden de synoniemen Thjaza thingskil, Thjazi’s
verklaring, en ook Iđja glysmál, “Idi’s blinkende speech” hun
natuurlijke verklaring vinden. Dat goud, dat in de mond gehouden werd, als thingskil
moeten worden beschouw is onwaarschijnlijk. Vanuit de analyse van de namen Ivaldi, Ölvaldi en Allvaldi, aangetroffen in
verschillende fragmenten, zoals hierboven deels is aangetoond, wordt het
duidelijker dat Idunn en Thjazi kunnen door de dichters van de Edda beschouwd
zijn als halfbroer en zuster. Zo, met dit als een voorlopige conclusie, laten
we het verhaal van Idunn en Thjazi onderzoeken. In Skáldskaparmál 56, dat het skaldische gedicht Haustlöng als zijn gids
gebruikt, leren we dat op een dag toen Odin, Loki en Hoenir aan het zwerven
waren (de reden van hun reis wordt niet genoemd), ze de gigant Thjazi
ontmoeten. Deze zit in een nabijgelegen boom vermomd als adelaar. De goden
hebben een tálhreinn, “nep-rendier”, gedood en proberen het te
roosteren, maar magie zorgt ervoor dat het vlees niet gekookt kan worden. Pas
wanneer ze instemmen om hun maal met Thjazi te delen wil het vlees koken. Maar,
voordat ze het kunnen opeten, stort de adelaar zich naar beneden en eet al het
vlees op. Kwaad pakt Loki een handig geplaatste staaf en slaat de adelaar daarmee over diens rug. Tot Loki’s
ergernis blijft die staaf aan de rug van de adelaar vastzitten en aan zijn
eigen handen. Hij kan de staaf niet loslaten. De adelaar vlieg weg en sleept
Loki mee over rotsen en bomen. Wanneer hij daartoe in staat is smeekt Loki om
genade en de adelaar stemt erin toe om hem los te laten op voorwaarde dat hij
Idunn uit Asgard zal lokken. Loki stemt in met deze voorwaarde en wordt
vrijgelaten. Wat later in het verhaal liegt Loki tegen Idunn. Hij vertelt haar dat hij
buiten Adgard appels ontdekt heeft die gelijksoortig zijn aan die van haar.
Wanneer ze dat gaan onderzoeken ontvoert Thjazi Idunn onmiddellijk. Kennelijk
gaan er vele jaren voorbij omdat de goden oud geworden zijn door het gemis van
haar appels om hun jeugd terug te krijgen. Wanneer ze behoorlijk bejaard zijn
bevelen ze Loki om Idunn naar hen terug te brengen. Gebruik makend van Freyja’s
valken-vermomming, treedt hij de gaard van Thjazi binnen, verandert Idunn in
een noot en vliegt met haar weg. Gekleed in adelaars-vermomming volgt Thjazi
hem en wordt verbrand op de muur van Asgard. Wat later komt Thjazi’s dochter
Skaldi naar Asgard en eist een vergoeding (wergild) voor de dood van haar
vader. De goden sussen haar door uit hun midden een echtgenoot te kiezen. In dit verhaal treffen we Idunn, Ivaldi’s dochter, aan die sterk in verband
staat met Thjazi, Ölvaldi-Allvaldi’s zoon. Dit kan geen toeval zijn. Omdat de
vroege Edda ons niet informeert over enige consequentie als gevolg van het
oordeel betreffende de artiesten moeten we aannemen dat die er niet waren. Maar nu, als we Ölvaldi-Allvaldi’s zoon
Thjazi als één van de Zonen van Ivaldi herkennen komen deze twee mythische
fragmenten tezamen als gebroken scherven van een kapotte urn en onthullen deze
twee schijnbaar ongerelateerde fragmenten scčnes van een veel groter verhaal: 1) De Zonen van Ivaldi (Thjazi, Idi, and Gang-Aurnir) waren zwaar beledigd
door de oordeel over hun werk, dat ze vrijwillig aan de goden hadden gegeven. 2) Odin, Hoenir en Loki bezoeken hun gebied, mogelijk om hen te sussen.
Omdat de Zonen van Ivaldi niet aanwezig waren bij de beoordeling moeten de
goden naar hun woning reizen. Voordat ze aankomen worden ze onderschept door
Thjazi. Loki in het bijzonder als de
aanstichter van de wedstrijd tussen de artiesten is het onderwerp van Thjazi’s
woede. Thjazi behandelt hem slecht door hem over bomen en rotsen te slepen. 3) Thjazi wil dat Idunn, zijn zuster en haar gouden appels, zeer
waarschijnlijk een resultaat uit zijn magische smederij, de goden verlaat. Met
dit in ons achterhoofd zouden we de vele magische onderdelen in dit verhaal
moeten opmerken: de veren-vermomming, de plakkende staaf, het nep-rendier en
zelfs de oven die niet wil braden. Ze kunnen worden voorgesteld als producten
van de kunsten van de zoon van Ivaldi. Dat de heidense skalden de zonen van Ivaldi identiek achtten aan de zonen van Ölvaldi-Allvaldi zou ondertussen duidelijk moeten zijn. Maar voordat we het als vaststaand beschouwen moeten we ons de vraag stellen: wordt dit ondersteund door een andere bron? Om het eenvoudig te houden noem ik hier slechts ééntje. In Lokasenna 17 beledigt Loki Idunn door te zeggen:
Hier beschuldigt Loki Idunn ervan om de moordenaar van haar broer te omarmen. De identiteit van de broer van Idunn heeft de geleerden lange tijd verward. Hun theorieën liepen uiteen van het normale tot het fantastische. John Lindow zegt simpelweg dat “de identiteit van haar broer en de moordenaar onbekend blijven.” (“Handbook of Norse Mythology”), terwijl Ursula Dronke in haar “Poetic Edda Volume II” (pg. 359), opmerkt: “Loki geeft Idunn de schuld voor een mythologische situatie waarin zij zich
bevond. Als godin van de constant vernieuwende bron van het leven behoort Iđunn
tot dezelfde mythologem als de Vanir. Zij namen hun broer of zuster als gade.
Als dit huwelijksgebruik wordt toegepast op Iđunn, dan zou de echtgenoot die in
de seizoensmatige strijd voor haar bezit haar broer moeten zijn, en de winnaar
van haar is dan haar “bróđurbani” (broeders vloek). …De situatie
waarover Loki verwijten maakt met betrekking tot Idunn kan niet relevant zijn
voor Bragi. Met hem is net de spot gedreven in verband met lafheid in het
gevecht; hij kan daardoor dus niet gezien worden als de kampioen die de
Mei-Koningin heeft gewonnen.” Waarom Dronke Idunn met de Mei-Koningin identificeert is onduidelijk en
bovendien niet nodig omdat een veel eenvoudiger antwoord voor de hand ligt. De geliefde van Idunn wordt niet genoemd, maar Loki meldt dat zij haar armen wit heeft gewassen, een detail dat alleen haar geliefde zou weten. We zouden in de gaten moeten houden dat hij in datzelfde gedicht gelijksoortige beschuldigingen uit tegen Sif en Skadi. Hij zegt rechtstreeks dat hij haar geliefde was. (Lokasenna 52 en 54). Tegen Sif zegt hij:
Het wordt nergens anders verteld dat Loki ooit Sif of Idunn verleidde. Maar
uit de beschikbare bronnen wordt het duidelijk dat hij zeker de mogelijkheid
heeft gehad. Hij was ooit dicht genoeg bij Sif om al haar haar af te snijden
(een teken van overspel in de oude Teutoonse cultuur; Tacitus, Germania 19) en
toen hij in de woning van Thjazi sloop en Idunn in een noot veranderde was hij
waarschijnlijk alleen met haar. Of zijn beschuldigingen waar zijn of niet, Loki
kan ongestraft claimen dat hij de geliefde van de godin is geweest. Alleen
hijzelf en zij weten wat er is gebeurd toen ze alleen waren Daarom is hij vrij
om te zeggen wat hij leuk vindt. Dus is het zeer waarschijnlijk dat, wanneer
Loki zegt dat Idunn de moordenaar van haar broer heeft omhelst, hij bedoelt dat
zij hemzelf heeft omhelst. Deze interpretatie is consistent met andere
onderdelen van zijn grootspraak. Het detail van het wassen van haar armen leent
gewicht aan deze conclusie. Omdat Idunn de dochter van Ivaldi is wordt het
duidelijk dat Loki één van de beroemde handwerkslieden, de Zonen van Ivaldi,
heeft vermoord. In Lokasenna erkent Loki slechts twee moorden te hebben gepleegd. Aan Frigg
bekend hij dat hijzelf de reden is dat “Baldur niet langer gezien wordt terwijl
hij naar de hallen rijdt” (Lokasenna 28) en tegen Skadi bekend hij dat hij
“vooraan stond toen je vader werd gedood” (Lokasenna 51). Van Skadi’s vader is
bekend dat hij de gigant Thjazi was. Andere bronnen bevestigen dat Loki de dood
van Thjazi, Allvaldi-Ölvaldi’s zoon op zijn geweten heeft door hem tijdens een
roekeloze achtervolging Asgard binnen te lokken, waar hij tenslotte gedood zou
worden als gevolg van een brand die woedde aan Asgard’s muren. We hebben geen
enkele indicatie dat Baldur de broer van Idunn zou zijn, waardoor we blijven zitten
met Thjazi, die ons verdere aanwijzingen geeft voor het bewijs dat Thjazi de
broer is van Idunn en die Loki, haar vermoedelijk geliefde, hielp vermoorden.
In de context van het gedicht is dit het eenvoudigste antwoord. Maar er is nog steeds ruimte voor twijfel. We kunnen onszelf afvragen hoe
het kan dat Idunn en Thjazi broer en zus kunnen zijn als Idunn een elf is en
Thjazi tot het geslacht van de giganten zou behoren? Haustlöng levert een aanwijzing. In couplet 13, wordt naar Thjazi verwezen
als sonr bíđils Greipar, “de
zoon van de hofmaker van Greip”. Greip is de naam van een vrouwelijke gigant.
Dus is Thjazi de zoon van een vrouwelijke gigant. Thjazi’s vader, Ivaldi,
maakte haar het hof. Terugkerend naar Hrafnagaldur Óđins 6, herinneren wij ons
dat Ivaldi twee sets kinderen had, een ouder stel en een jonger stel. Idunn is
de jongste van het oudere stel. De jongere set schijnt daardoor het resultaat
te zijn van de verbintenis van Ivaldi met een vrouwelijke gigant. Dus zijn de
Zonen van Ivaldi half-gigant en half-elf, terwijl Idunn en haar ‘volbloedige’
kinderen puur elf zijn. Dat de goden Thjazi hoog achtten wordt duidelijk gemaakt door het feit dat ofwel Thor danwel Odin sterren van zijn ogen maakten (Skáldskaparmál 56, Hárbardsljóđ 19). Thor schenkt ook een gelijksoortige bewijs van eer aan zijn vriend Aurvandil (Skáldskaparmál 17), die hij gered heeft van de Elivagor tijdens zijn terugkeer van Jotunheim. Als hij ontdekt dat de teen van Aurvandil blootgesteld was aan de kou en daardoor bevriezingsverschijnselen vertoonde, brak Thor het af en gooide het in de hemel waar het een ster werd. Thor eert Thjazi op eenzelfde wijze. Dat Thjazi’s dochter Skadi wordt toegestaan om een echtgenoot te kiezen vanuit de Aesir als compensatie voor de dood van haar vader wijst ook in die richting. De dood van Thjazi moet een speciaal geval zijn. Als dat niet het geval zou zijn dan zouden we een horde vrouwelijke giganten voor de poort van Asgard zien verschijnen om ook zo’n compensatie te willen krijgen. Door alles wat hierboven is vermeld wordt het duidelijk dat voor een bepaalde periode de Zonen van Ivaldi de vrienden van de goden waren, en daarna werden ze voor een tijdje hun vijanden. Deze interpretatie verheldert de gebeurtenissen van Hrafnagaldur Óđins. Dit vertelt ons dat, terwijl Idunn niet in Asgard was (toen ze uit Yggdrasil viel omdat er een appel uit een boom viel), zij hun kant koos:
Omdat we slechts één gedicht kennen over de tijd waarin Idunn niet in Asgard verbleef, beschrijft dit gedicht zonder twijfel de periode die Idunn met haar halfbroer Thjazi doorbracht. Het gedicht vertelt ons dat ze “Blij in listigheid was” hetgeen de suggestie geeft dat ze deelnam aan zijn plannen voor wraak tegen de goden. Als wordt aangenomen dat beiden aan elkaar gerelateerd zijn, is dit een natuurlijke gang van zaken. De plichten van haar bloed-verbintenis zouden haar verplichten om zo te handelen. Als een losstaand gedicht bekeken heeft men dit gedicht obscuur geacht, maar dat is niet langer het geval als we het bekijken in de context van de corpus van de poëtische en prozaďsche bronnen, welke de relatie tussen Idunn en de Zonen van Ivaldi onthullen. Laten we, In dit licht gezien, Hrafnagaldur Óđins eens beter bekijken: Het gedicht start met een catalogus van mythische wezens, vermoedelijk de observaties van één van de raven van Odin terwijl het door de werelden vloog:
Interessant is dat het werkwoord dat hier met de elven in verband wordt
gebracht, skilja, “begrijpen” ook “scheiden, afscheid nemen (van
iemand)” betekent. Als we dit gedicht interpreteren als het verhaal waarbij de
elven hun vriendschappelijke relaties beëindigen met Asgard, worden beide
betekenissen relevant. Onmiddellijk daarna ontvouwt zich een vreselijke scčne. De Aesir vermoeden dat “boosaardige wezens” het weer in verwarring hebben gebracht met behulp van runen, Urd is aangewezen om de bron van Mimir tegen de koude te beschermen; de zon, hier voorgesteld door haar paard Alsvidr, begint zijn krachten te verliezen; en de “ondergang van de mensheid” wordt gevreesd.
De oorzaak van deze kwalen wordt geďdentificeerd in couplet 10:
Hier worden de daders aangewezen als zijnde Rögnir en Reginn, terminologie
welke gewoonlijk naar de goden zelf verwijzen. Sveinbjörn Egilsson in zijn Lexicon
Poeticum definieert Rögnir als een naam van Odin, en reginn
als een normale substitutie voor “goden” (net als de term tívar, die
zowel de Aesir als de elven inhoudt in Hávamál 159). Eerdere vertalers van Hrafnagaldur
Óđins zoals Benjamin Thorpe hebben daarom Rögnir en Reginn geďnterpreteerd als
“Odin en de goden”. En toch schijnt er iets niet te kloppen; zelfs Thorpe
kwalificeert deze interpretatie met een vraagteken. Dat de goden hier niet mee
bedoeld worden is duidelijk vanuit de context. Terwijl Rögnir en Reginn hun
galdur zingen “tegen het huis van de goden”, luistert Odin in Hildskjalf, zijn
observatie toren in Valhalla. Dit zijn duidelijk vijanden van Midgard, het
“huis” dat de goden hebben gebouwd (cp. Völuspá’s salar en húsi, 2 & 17).
Uit
de daarom heen liggende coupletten kunnen we opmaken dat de liederen een
verwoestend effect op het weer hebben. Tuurlijk, deze Rögnir en Reginn zijn
identiek aan de “boosaardige wezens” van couplet 2. Zij “berijden wolven”, een
normaal attribuut van vrouwelijke giganten. Omdat we Idunn in wolf-vorm
aantreffen (couplet 8), kunnen we daaruit ook een seksuele connotatie afleiden.
Terwijl dit alles plaats vindt is Idunn, “de jongste van Ivaldi’s oudste
kinderen”, omhuld in wolfs-huid, ook “blij in listigheid”. Dat Ivaldi’s
kinderen zich op deze wijze geroepen voelen te gedragen moet een reden hebben.
Wij herinneren ons onmiddellijk de beroemde smeden, Ivaldi’s zonen. Dat ze
Rögnir en Reginn genoemd worden, namen die te maken hebben met goden, kan
verklaard worden door de nauwe relatie die bestaat tussen beide groepen van tívar
(goden). Omdat deze referentie voorkomt binnen de context van een gedicht,
waarin de elven de macht van de goden direct betwisten en zonder twijfel zelf
goden zouden willen worden, is dit zeer correct gekozen en kan ook het belang
verklaren van Thjazi, die al het vlees opeet dat voor de goden bestemd was,
indien we het vlees als een offer interpreteren. Verschillende elementen van Hrafnagaldur Óđins herinneren aan het mythische
verhaal van Idunn en Thjazi, aangetroffen in Haustlöng. Eerst wordt Idunn forvitin
genoemd, een woord dat zowel nieuwsgierig als vooruitziend betekent. De
betekenis “nieuwsgierig” kan te maken hebben met het verhaal van Snorri en hoe
Loki Idunn uit Asgard verleidde. Hij zegt dat ze buiten Asgard appels zou
vinden die het waard waren om te hebben en vroeg haar om haar eigen appels mee
te nemen om te kunnen vergelijken. Ze was zeker nieuwsgierig genoeg om hem te
volgen. Beide namen Rögnir en Regin worden aangetroffen in synoniemen voor Thjazi.
In Haustlöng 4, wordt Thjazi aangemerkt als ving-Rögnir vagna, “de
Rögnir van de wind-wagens” (of mogelijk “wind-dofijnen”) en in couplet 12 als leikblađs
reginn fjađrar, “de Regin van het veren-zwaaiend blad-zwaard” (i.e.
vleugel). Beide synoniemen refereren vermoedelijk aan het feit dat hij vermomd
is als een adelaar, maar specifiek reginn
kan verwijzen naar zijn talent om aanvullende vogel-vermommingen te maken,
zoals de valken-vermommingen voor Frigg en Freyja, alsmede de kostuums van de
zwanen-meisjes, aangetroffen in Völundarkviđa.
Als een artiest die vriendelijk staat ten opzichte van de goden, zou
zijn kunst de logische bron zijn voor dat soort zaken. Ironisch genoeg lokt
Loki hem naar zijn dood gebruik makend van één van zijn eigen ontwerpen, de
valken-vorm van Freyja. Benamingen die terugvoeren naar een synoniem hoeven
geen mythische betekenis te hebben, maar de betekenis wordt versterk als ze dat
wel doen. Net zoals in Hrafnagaldur Óđins, worden de namen Rögnir en Reginn
opnieuw geassocieerd met een gevaarlijke vijand van de goden. In Haustlöng 6
heeft de dichter het over Thjazi als dolg ballastan vallar, “de
machtigste tegenstander ter wereld”, een benaming die goed overeenstemt met de
“slechte wezens” van Hrafnagaldur
Óđins, die het weer verwarren met runen. Samengevat: wat deze mythische fragmenten gemeen hebben schijnt een veel
omvattender verhaal te zijn over de elven, Ivaldi’s zonen en hoe Loki hun
vriendschap en gulheid veranderde in vijandschap voor de goden. Dus treffen we
een groep broers aan, die smeden zijn, vol met gevoelens van wraak en die nu de
goden haten en hun creatie pogen te vernietigen. Een gelijke situatie komt voor
in Völundarkviđa, het verhaal van mogelijke de beroemdste artiest in de hele
Teutoonse mythologie: Völund (Wayland Smith). Sporen van deze mythe kunnen
aangetroffen worden in persoonsnamen die dateren vanaf de zevende eeuw in
Duitsland, als gegraveerde scčnes op een kist van walvisbeenderen van de achtste
eeuw en als referenties in verschillende Angelsaksische gedichten waaronder
Beowulf en Doer’s Lament, die gedateerd
kunnen worden voor 900 nC. In Scandinavië, een referentie naar Thjazi als
grjót-Niđađ in Haustlöng, gecomponeerd in de 10th eeuw, toont aan
dat de dichter Ţjóđólfr of Hvin bekend moet zijn geweest met een vorm van die
legende. Allereerst zou moeten worden opgemerkt dat de plaats van Völundarkviđa’s in
de Codex Regius lange tijd ter discussie heeft gestaan door de geleerden. Door
de schrijver werd het tussen Ţrymskviđa en Álvismál geplaatst. Maar omdat het
gedicht het verhaal van een legendarische smid verteld en niets te schijnt te
hebben met enige bekende mythische omstandigheid, vragen geleerden zich af
waarom het tussen mythologische gedichten werd geplaatst en niet tussen de
heroďsche gedichten, waar zij menen dat het thuishoort. Tot dit moment is er
geen sluitend antwoord gevonden al zijn er verschillende theorieën ontwikkeld.
Paul Taylor, in Medieval Scandinavia: An Encyclopedia, schrijft “zijn Noorse
benaming ‘Meester van de Elven’ (álfa dróttin) schijnt ertoe geleid te hebben
dat de redacteur van het manuscript hem associeerde met mythen. Völundr is
waarschijnlijk niet een inheems figuur in Scandinavische verhalen.” Onderzoek
van het gedicht kan een logischer antwoord opleveren. Völundarkviđa vertelt het verhaal van drie broers, Völund, Egil en Slagfin, zonen van een Finse koning, die in een land wonen dat wordt aangeduid als de Wolvendalen. Na een bepaalde periode komen ze samen met drie zwanen-meisjes: Alvit (ook Hervör genoemd), Ölrun en Svanhvit (ook Hladguđ genoemd). Maar na acht winters krijgen de zwanen-meisjes veel heimwee en in de negende winter vertrekken ze. Egil en Slagfinn achtervolgen hen, Völund alleen in de Wolvendalen achterlatend. Na een bepaalde tijd wordt hij gevangen genomen door Nidhad en zijn mannen, vastgebonden en op een eiland gevangen gezet. Völund smeedt schatten voor Nidhad, maar zijn zucht naar wraak neemt niet af. Hij vermoordt stiekem twee van de zonen van Nidhad en maakt voor de koning bekers van hun schedels om uit te drinken, juwelen van hun ogen en broches van hun tanden voor de koningin. Völund voert verder Nidhad’s dochter met sterke drank en verkracht haar. Hij maakt stiekem een vogel-vermomming, die hij gebruikt om te ontvluchten, maar voordat hij wegvliegt, onthult hij zijn daden van wraak aan Nidhad, na hem te laten zweren dat hij zijn dochter en het kind dat zij draagt geen kwaad zal doen. Verschillende punten verbinden Völundarkviđa met de mythische fragmenten
die hierboven genoemd zijn. “I zou willen opmerken dat de namen van Völundr, álfa ljöđi, vísi
álfa, relateren aan een oude traditie waarin álfar subtiele smeden
waren voordat de dwergen als ondergrondse metaalbewerkers bekend raakten en
deze titel van de elven in de vergetelheid raakte.” De naam van het huis waar Völund verbleef, de Wolvendalen, zinspeelt op het
huis van Idunn toen ze uit Yggdrasil was gevallen, zoals beschreven is in
Hrafnagaldur Óđins 6. Daar wordt gesteld dat Idunn “verbleef in dalen”, waar ze zichzelf omhult in “wolfs-huid”. Dit lijkt een poëtische
zinspeling te zijn op de “Wolvendalen” van Völundarkviđa.” De drie
broers worden voorgesteld als skiërs en jagers, vaardigheden die het meest
worden geassocieerd met Thjazi’s dochter Skadi en Sif’s zoon Ull. In
Haustlöng 7 wordt Skadi aangeduid als öndurgođs , the ski-godin. In
Völundarkviđa jaagt Völund op beren op ski’s en wanneer de zwanen-meisjes
vertrekken, achtervolgen Egil en Slagfinn hen op ski’s. Dat ze in de prozaďsche
introductie zonen van een Finse koning worden genoemd wijst ook in deze
richting. Van de Finnen is uit de sagen en wetboeken van IJsland en Scandinavië
zeer bekend dat ze skiërs en tovenaars zijn. Evenzo noemt Haustlöng 3 het vlees
dat de Aesir nabij het huis van Thjazi vangen een tál-hreinn, een nep
rendier, een beest dat tot op dit moment door de Finnen gehoed wordt.
Geografisch gezien wonen de Finnen tussen de Scandinaviër en de Noordelijke
IJszee. Voorbij die laatste zouden de giganten moeten wonen, ten oosten en ten
noorden van Scandinavië. In mytho-historische termen kunnen de elven met de
Finnen gelijkgesteld worden. Met betrekking tot de tradities van de ouders van Völund, zouden we ook de
Saga van Thidrek in aanmerking moeten nemen. Dat is een Oud IJslands prozaďsch
verhaal over de bredere legende over Völund, gebaseerd op Teutoonse poëtische
bronnen. Hier wordt de smid Velent (Völund) afgebeeld als een half-gigant, de
zoon van een gigant en een zeemeermin. (Zijn vader wordt Vati genoemd, mogelijk
een versimpeling van -Valdi?). En dus hebben we dezelfde verwarring betreffende
de geboorte van Völund’s als dat we hadden bij die van Thjazi. Hij is blijkbaar
tegelijkertijd een elf en een gigant. De fysieke nabijheid van de mythische
landen van de giganten en de elven hebben kennelijk sterk op de verbeelding
gewerkt met betrekking tot zo’n relatie tussen de twee stammen. Net zoals Thjazi, waarvan gezegd werd dat diens vader rijk door goud was,
klaagt Völund in couplet 15: “Ik herinner me dat we een grotere schat bezaten
toen we een compleet gezin waren in ons huis.” Hij heeft het vervolgens over de
zwanen-meisjes, de suggestie wekkend dat zij zijn familie waren. Uit
Hrafnagaldur Óđins leren we dat minstens één van zijn vrouwelijke metgezellen
zijn half-zuster Idunn was. In Haustlöng 9 ontdekken we dat Thjazi aangemerkt wordt als grjót-Niđuđ,
“Nidhad van de stenen.” Ursula Dronke
in The Poetic Edda, Volume II, The Mythological Poems vermeldt: “De bron voor
dit synoniem kan alleen maar de legende van Völundr geweest zijn”. Soortgelijke
synoniemen in andere gedichten zijn, onder andere, berg-Ţórr en
grjót-Mođi. Hier wordt Thjazi “Nidhad van de stenen” genoemd, waarbij
Nidhad de beroemde vijand van Völund was. In Völundarkviđa wordt speciale aandacht besteed aan de ogen van Völund. Eerst wordt hij “weer-ogend”, veđeygr (couplet 10) genoemd. Later, wanneer Völund in de macht van Nidhad is geraakt, wordt van zijn ogen gezegd dat ze “glinsteren” wanneer hij zijn zwaard in de riem van Nidhad ziet zitten, en zijn ring om de arm van Hidhad’s dochter (couplet 17). In het licht van de beschrijving Rögnir en Regin in Hrafnagaldur Óđins, die kwaadaardige winden veroorzaken door galdur liederen, krijgt de term “weer-ogend”een betekenis. Zeker, als een tovenaar die slecht weer maakt moet Rögnir zijn ogen op het weer houden. En omdat we al wisten dat Thjazi’s ogen in sterren waren veranderd, kunnen we ook begrijpen dat het “glinsteren” van Völund’s ogen ook wijzen op deze zeer bekende mythische hoedanigheid. Hoewel Völund aan het eind van het gedicht verschrikkelijk wraak neemt door twee van de zonen van Nidhad te vermoorden en diens dochter te verkrachten, pocht Völund, terwijl hij wegvliegt, dat hij nu alles wat hem was aangedaan heeft gewroken, behalve eentje (couplet 28). Wat dit ongewroken geval is blijft echter een mysterie. Geleerden zoals Ursula Dronke, die dit couplet uitvoering hebben besproken vinden het al lastig genoeg om de woorden van Völund sluitend te verklaren wanneer deze zegt: “Nu heb ik wat mij is aangedaan gewroken—niet een, maar alle jaloerse verleidingen.” Andere vertalers zijn niet zo vrij geweest, maar het probleem blijft bestaan: Welke belediging is er nog over voor Völund om te wreken? Als we accepteren dat Völund de naam is van een Zoon van Ivaldi, wiens werken als slechter werden aangemerkt dan die van Brokk en Sindri, dan wordt het antwoord duidelijk. Zijn reputatie als meester-smid blijft besmeurd. Om te weten hoe deze vreselijke belediging gewroken wordt, lang na de dood van Völund, hoeven we alleen maar het lot van het zwaard na te gaan dat hem door Nidhad was afgenomen, maar dat is iets dat niet tot het onderwerp van dit artikel behoort. En, zelfs wanneer Völund en zijn broers kunnen worden geďdentificeerd als de Zonen van Ivaldi, dan blijft de identiteit van de zwanen-meisjes ons duister. Weer geeft een vergelijking van poëtische fragmenten ons de oplossing. In zowel Völundarkviđa als Hrafnagaldur Óđins zijn de vrouwen, die bij de
handwerkslieden in ballingschap leven, ongelukkig. Völundarkviđa zegt dat ze
“veel last hadden van heimwee”, terwijl Hrafnagaldur Óđins ons leert dat “Nauma
(Idunn) verdriet had” voordat ze haar wolven-vermomming aantrok. Couplet 7 van Hrafnagaldur Óđins gaat dieper op dit thema in:
Waarom zouden Idunn en haar zusters ontevreden zijn terwijl ze in het
gezelschap van hun broers waren? Om deze vraag te beantwoorden moeten we de
aard van de zwanen-meisjes onderzoeken. Zwanen zijn beesten die gewend zijn aan warmte en licht. In de mythologie
worden ze geassocieerd met de bron van Urd. Snorri vertelt ons dat alle zwanen
afstammen van een paar van deze vogels in Urd’s bron (Gylfaginning 16). In
Völundarkviđa 1 worden zij aangeduid als “zuidelijke meisjes” (drósir
suđrćnar); terwijl we in een losstaand couplet door de skald Eilífr
Guđrúnarson, bewaard gebleven in Skáldskaparmál 52, ontdekken dat de bron van
Urd ook in het zuiden moet zijn gelegen:
sunnr at Urđrbrunni. In
Völundarkviđa weven de zwanen-meisjes en moeten het “lot vervullen”, örlög
drýja. (coupletten 1 & 3), alle twee verwijzingen die terugwijzen naar
de Nornen, die draden van het lot weven op het weefgetouw van de hemel. In Hrafnagaldur Óđins en Völundarkviđa zijn deze vrouwen niet bepaald in
hun element. Om in de Wolvendalen aan te komen moeten de zwanen-meisjes “vanuit
het zuiden” aan komen vliegen (dus: “richting het noorden”), door het Myrkwood
(Duistere-bos). Völundarkviđa beschrijft de broers terwijl ze op ski’s in dit
terrein jagen. Het Angelsaksische gedicht Doer’s Lament heeft het over Völund’s
verdriet in ballingschap als “winter-koud”. Hrafnagaldur Óđins 7 stelt dat,
toen Idunn in de “dalen” verbleef, ze in wolven-huid gekleed was, zonder
twijfel om warm te blijven. Dus: ze was
“bij Norvi’s dochter”. Nörvi’s dochter, volgens de Vroege Edda is Nacht. Op
dezelfde wijze geldt dat, wanneer Nidhad en zijn mannen aankomen, het maanlicht
op hun schilden glinstert. Volgens alle meningen zijn de Wolvendalen koud en
donker, anders dan het domein van Urd. Om in zo’n land te kunnen overleven moet
Idunn haar zwanen-vermomming uittrekken en haar wolven-huid aantrekken.
Zwanen-meisjes passen niet in een dergelijke omgeving. Het gedicht Hrafnagaldur Óđins plaatst beide beelden slim naast elkaar: de
warme bron van Urd in het zuiden en de koude isolatie van de Wolvendalen in het
noorden. Urd zelf wordt aangeduid als “de drager van Gjöll’s Sunna” Gjallar
Sunnu gátt, een synoniem dat simpelweg vrouw betekent. Gjöll’s Sunna wijst
op “het vuur van de rivier”, i.e. goud. Een goud-drager is een vrouw. De term
voor vuur is hier een alternatieve term voor de Zon, wijzend op warmte en
licht. Een gelijkluidend idee bevat couplet 2 waar Urd wordt aangewezen om
Ođrerir (Mimir’s bron) te bewaken, wanneer de kwaadaardige winden vanuit het
noorden beginnen te waaien. Haar aanwezigheid kan bedoeld zijn om het van
bevriezen te weerhouden. Deze juxtapositie verklaart de hunkering van de
zwanen-meisjes. Idunn en haar zusters verlangen ernaar om terug te keren naar
hun geboortegronden in het zuiden, ver verwijderd van de winterkoude van de
Wolvendalen. Het lijkt erop dat de dichter, die Völundarkviđa componeerde, van plan was
een episode uit het leven van de Zonen van Ivaldi te vertellen, dat speelde in
de periode dat ze vijanden van de goden waren en met hun zusters in de
Wolvendalen verbleven, buiten het bereik van de scepter van de goden. Zonder
deze context heeft het gedicht zijn betekenis voor ons verloren en zullen we
het foutief tussen de heroďsche gedichten willen plaatsen. Maar wanneer we
echter in Völund en zijn broer de beroemde Zonen van Ivaldi herkennen, dan
begrijpen waarom de schrijver van de Codex Regius dit gedicht middenin
mythologische gedichten van de Oude Edda plaatste. Het heeft hier zijn juiste
plaats. Dit is geen geďsoleerd heroďsch verhaal, zoals de huidige wijsheid
denkt, maar een centraal deel van een veel groter verhaal, die de gevolgen
uitlegt van het oordeel over de artiesten, teweeggebracht door de sluwe Loki.
We hoeven alleen maar de verspreide delen samen te voegen om het centrale plot
duidelijker te kunnen zien. Niet verwonderlijk is het dat deze episodes,
waarvan ooit gedacht was dat ze alleen gezien moesten worden, perfect op elkaar
aansluiten om een logische serie gebeurtenissen te vormen. Dus: zonder het
gewicht van meningsverschillen en bewijzen om ons gezichtspunt te vertroebelen,
zal ik een waarschijnlijke tijdlijn presenteren van de mythische gebeurtenissen
die betrekking hebben op de besproken poëtische fragmenten: De Zonen van Ivaldi zijn vrienden en bondgenoten van de goden. Ze geven hen vrijwillig schatten. Loki lokt een wedstrijd van de artiesten uit. Daarin worden de kunstwerken van de elven, zijnde de Zonen van Ivaldi, en die van de dwergen, zijnde Brokk en Sindri, met elkaar vergeleken. Op voorstel van Loki vergelijken de goden de werken, gemaakt door de Zonen van Ivaldi met de werken, gemaakt door die van Sindri. De goden spreken hun voorkeur uit aan het meesterwerk van Sindri, de hamer Mjöllnir, en als gevolg van die keuze worden de werken van de Zonen van Ivaldi als minderwaardig beoordeeld. Bevreesd voor de reactie van Ivaldi’s zonen reizen Odin, Hoenir en Loki naar het huis van deze elven, mogelijk om hen te sussen. Thjazi, één van Ivaldi’s zonen en de belangrijkste artiest van de groep, verijdelt de vredespoging van de goden en dwingt Loki om Idunn, zijn halfzuster, uit Asgard weg te lokken samen met haar schat, de appels van verjonging, die de goden jong houden. Ze is voor een bepaalde tijd weg. De Zonen van Ivaldi gaan in ballingschap in één van de meest verafgelegen delen van Niflheim, in het verre noorden van de onderwereld waar de goden geen macht hebben. Idunn en haar zusters sluiten zich bij hen en hun zaak aan. Terwijl ze in de Wolvendalen zijn maakt Thjazi een zwaard waarop hij al zijn vaardigheden en sluwheid botviert. Het wapen is ontworpen om Asgard en zijn bewoners te vernietigen. (Het is hetzelfde zwaard dat Surt uiteindelijk gebruikt om de wereld in vuur en vlam te zetten.) In aanvulling hierop zingen hij en zijn broers magische liederen, die verwoestende stormen richting Midgard zenden. Odin is machteloos en kan hen niet doen stoppen. Uiteindelijk vertrekken de zwanen-meisjes en Thjazi-Völund wordt gevangen genomen door een vriend van de goden. Het zwaard van Völund, zeer gevaarlijk voor de goden, wordt hem afgenomen en wordt bewaard door Mimir (door “de satyr Mimingus” in Saxo’s History en onder “Mimir’s Boom” in Fjölsvinnsmál. Aanwijzingen voor de identiteit van Nidhad als zijnde Mimir zelf). Idunn en haar zusters keren vermoedelijk terug naar het huis in de bergen van Thjazi, Thyrmheim, waar Idunn Thjazi’s dochter Skadi ter wereld brengt. Thjazi-Völund ontsnapt uit Nidhad-Mimir’s onderwereldse gevangenis en keert terug naar Thyrmheim om met Idunn en Skadi samen te zijn. Na vele jaren worden de goden oud en dwingen Loki om Idunn en haar appels terug te halen. Gedwongen met lichamelijk geweld breekt Loki in in het huis van Thjazi en kidnapt Idunn. Hij verleidt Thjazi om hen te volgen. Thjazi achtervolgt Loki roekeloos en wordt verbrand en vermoord op de muren van Asgard. Om hun vroegere vriend te eren veranderen de goden de goden van Thjazi in sterren en huwen in de elven-clan: Thor huwt Sif, Bragi huwt Idunn en Skadi huwt Njord. Het mythische epische verhaal vervolgt met verhaal over
het lot van het zwaard van Völund.
Zoals boven is aangetoond vertonen de beschikbare schriftelijke bronnen een opmerkelijke consequentie van ideeën. Ze zijn meer homogeen dan gewoonlijk wordt herkend. Zonder twijfel hadden de oude skalden een heldere visie van de karakters die ze optekenden. Het is het versiersel van hun kunst, de wijze waarop ze complexe synoniemen en woordspelingen gebruikten die het moeilijk voor ons -en de geleerden die deze gedichten onderzoeken- maken. Voor de dichter was het niet nodig om alles duidelijk te omschrijven noch was dat van hem verwacht; hij vertelde de verhalen die zijn publiek goed kenden. Er zijn genoeg redenen om aan te nemen dat deze mythen in orale verhalende vorm bestonden, onafhankelijk van enige poëtische behandeling. De populariteit van de mythe van Völund wordt vaak gemeld in oeroude tijden. Wij zijn het die de details vergeten zijn. Zoals je kan zien is er geen
één stukje bewijs waarvan we kunnen zeggen dat het de gehele bewijsvoering
overeind houdt. In plaats daarvan hebben we een zee van ideeën die allen in
dezelfde richting wijzen. We moeten in de gaten houden dat we te maken hebben
met fragmentarische bronnen, waarvan veel poëtische verwijzingen maken naar
mythische gebeurtenissen die onduidelijk voor ons zijn, maar zonder twijfel
zeer bekend waren voor het heidense publiek waar ze voor bedoeld waren. Ik hoop
dat de resultaten van dit onderzoek aantonen dat er nu geen redenen meer zijn
om aan te nemen dat de mythologie van de late Teutoonse religie niet zo
incompleet en primitief is als het bronnenmateriaal dat voor ons is
achtergebleven om te onderzoeken. |