De Azen & de Elven:
de indentiteit van de vader van Ull
William P. Reaves
©Copyright oorspronkelijke tekst: William P. Reaves
Door de auteur ter publicatie aan boudicca's Bard aangeboden
.

Nederlandse vertaling: Fred (fred@boudicca.de) 2003.
Het copyright van deze nederlandstalige tekst ligt bij Boudicca's Bard.

 

De mythische bronnen die spreken over Ull laten ons achter met een mysterie, op dit moment niet beantwoord in de populaire presentatie van onze mythologie: het mysterie van het vaderschap van Ull. Over Ull zegt Gylfaginning 31:

"Ull, Sif's zoon en Thor's stiefzoon, is één. Hij is zo’n goede boogschutter en skiloper dat niemand hem kan evenaren. Hij is mooi om te zien en hij heeft alle karaktertrekken van een strijder. Je kan ook altijd een beroep op hem doen voor een duel." (vertaling door Jean Young)

Snorri noemt Thor Ull's stiefvader (Skaldskaparsmal 4). Hij noemt Ull, de stiefzoon van Thor en Sif, de moeder van Ull. Snorri schijnt totaal niet te weten wie de vader van Ull is, (zelfs als hij onwetend was betreffende de aard van Thor’s relatie met Egil en de Zonen van Ivaldi, zoals mijn eerdere essays aantonen) en met recht. Nergens is de bewaard gebleven annalen is de naam van de vader van Ull rechtstreeks opgetekend. We dienen daarom het overblijvende heidense materiaal onderzoeken om zijn identiteit te ontdekken.

Met betrekking tot Ull zelf zijn de bestanden minimaal. Van de drie keren dat hij in de Oudere Edda genoemd wordt (Grimnismal 5 and 42; Atlakvida 30), geeft alleen de eerste enige directe informatie over Ull:

Grimnismal (Vertaling: Benjamin Thorpe):
4. Heilig is het land, dat ik nabij de Aesir en Alvar zie liggen; maar in Thrudheim zal Thor leven tot de krachten vergaan.
5: Ydalir wordt het genoemd, waar Ull voor zichzelf een woning heeft gemaakt. Alfheim, dat de goden aan Frey hebben gegeven in de dagen van toen als een tanden-gift.

Nier verwonderlijk wordt de woning van Ull, Ydalir, geassocieerd, door tekstuele nabijheid en onderwerp, met die van Thor. Hier wordt gezegd dat Thor’s huis dicht bij die van de Alfar, de Elven, ligt. En dan, liggend tussen Thor’s huis en Alfheim zelf, vinden we het huis van Ull. Dit kan uiteraard niet per ongeluk zijn. Het noemen van de elven aan het begin van strofe 4 en het eind van strofe 5 wijzen op
  een relatie van wat er tussenin ligt, namelijk Ydalir. De duidelijke bedoeling van de dichter is om Ull met zowel Thor als de Elven te associëren. De verbinding met Thor is duidelijk, maar tot nu toe is de verbinding met de Elven over het hoofd gezien. Terwijl dit ook niet het enige voorkomen is van een verbinding tussen Ull en de Alvar.

Van Ull wordt gezegd dat hij een zoon van Sif is. Van Sif weten we dat Loki klierig haar haar heeft afgesneden. Snorri vertelt dit verhaal in Skaldskapasmal 43. Na het afsnijden van het haar van Sif, belooft Loki aan de "svartalfum," duistere-elven, te vragen of zij het haar van Sif willen herstellen. Maar in de direct daarop volgende zin vraagt benadert hij "dverga" dwergen, bekend als de zonen van Ivaldi ("Ivaldasynir"). Heier zien we opnieuw een verbinding met "elven," hoewel Snorri niet al te duidelijk is over het onderwerp. In ieder geval wordt Sif geassocieerd met de Zonen van Ivaldi, waarvan we eerder gezien hebben dat deze Thjazi, Gang and Idi genoemd werden; en als Thjazi, Egil and Idi (de zonen van Öl-valdi, All-valdi of Id-valdi). Zij maken het gouden haar voor haar op verzoek van Loki, hij hoefde hen daartoe niet op enige manier te dwingen. Zij helpen Sif kennelijk uit vrije wil, en bovendien leverden ze het geschenk van een speer voor Odin en het schip Skidbladnir voor Frey. Dit wijst op een bepaalde goodwill ten opzichte van de goden.

Interessant is, dat wanneer Ull wordt genoemd naast de goden in strofe 42 van Grimnismal ("Ullr en alle goden zullen voorspoed hebben, wie het eerst in het vuur kijkt" vertaling: Thorpe) de referentie onmiddellijk gevolgd wordt door een referentie naar deze volgende mythe:

Grimnismal 43 (vertaling: Thorpe) "Ivaldi's zonen, lang geleden, Skidbladnir werd gemaakt, het beste van alle schepen, voor de schrandere Frey, Njord’s goedaardige zoon."

<<De obscure referentie in strofe 42 over het kijken in het vuur kan zelfs een referentie zijn voor de werkzaamheden van een smid, maar dan is op zijn best onzeker.>>

We treffen veel van dergelijke vreemde parallellen aan tussen deze Zonen van Ivaldi en de glorieuze, Ull, god van de Jacht. Skadi, die Thjazi's (een zoon van All-valdi) dochter is, wordt "öndor-goðs" genoemd (Haustlaung 7), godin van de sneeuwschoenen, een parafrase van Ull's eigen bijnaam "öndur-àss" (Skaldskaparmal 21), god van de sneeuwschoenen (Vigfusson Dictionary, p. 764). Snorri's beschrijving van haar is geheel gelijk aan die van Ull. Ze "maakt haar sneeuwschaatsen vast en pakt haar boog." (Gylfaginning.24, vertaling: I.A. Blackwell). Veel geleerden hebben deze overeenkomsten opgemerkt, maar weinigen kunnen deze verbinding verklaren.

Net zoals Ull en Skadi, wordt één van Ivaldi’s zonen-- Egil in het bijzonder--- ook beschreven als een skiloper en een boogschutter. In Volundarkvida, lopen Volund, Egil and Slagfinn op ski’s en jagen. Het openingsgedicht van Volundarkvida informeert ons dat de drie broers "skridu ok veiddu dyr" skieden en op beesten jaagden. Ideeën die door de tekst van het gedicht zelf worden ondersteund. Vilkinasaga 29 & 30 spreken over Volund's broer Egil, als een geoefend boogschutter. Elders is de boog "Egil's wapen" en pijlen zijn "Egil's wapen-hagel" (Vroege Edda, 422). Saxo vertelt het verhaal betreffende Toko de boogschutter, en sprak later van Willem Tell, hoe deze een appel van het hoofd van zijn zoon afschoot (Boek 10). Vilkinasaga vertelt hetzelfde verhaal over Egil. In een ander deel van Saxo, wordt Toko vergezeld door ene Annundus. Volundarkvida 2 informeert ons dat een andere naam voor Volund Annund was ("vardi hvitan hals onondar" Codex Reg.). Noch is Saxo de magische sneeuwschoenen vergeten. In zijn verhaal over stelt Saxo hem in staat om een heikele berghelling af te skiën en zichzelf op een schip in veiligheid te brengen. Hieronder volgt een historisch verslag van Ull’s eigen schaatsen:


In hoofdstuk 3 of zijn Deense Geschiedenis vertelt Saxo ons dat Ollerus (een gelatiniseerde vorm van Ull) "was zo’n slimme tovenaar dat hij een bepaald been gebruikte, dat hij met verschrikkelijke spreuken had bewerkt, waarmee hij de zeeën kon oversteken, in plaats van met een boot, en dat door middel van dit been, hij wateren kon oversteken die hem in het pad lagen, net zo snel als wanneer hij zou roeien." (vertaling: Oliver Elton). Met andere woorden: Ull kon over open water schaatsen met behulp van met runen bekraste sneeuwschaatsen. Skadi wordt ook "saevar beins dis," de dis van het zee-been genoemd.

Thorsdrapa bewaart een soortgelijk verhaal met betrekking tot de mannen van "Idis setr", die Thor vergezellen over de rivieren van Elivagar.
  In strofe 3 zegt de skald dat Grimnir's (Odin's) manschappen, die "Gang's strijders" genoemd worden in de volgende strofe, "Endil’s weiland met voerstappen meten." Zoals we gezien hebben is Gang de naam van één van Ivaldi’s zonen, meest waarschijnlijk Egil. Maar waar we hem water, een “Gand-vik” (een “magische baai”) verwachten over te steken, zegt de dichter dat zij "Endil’s weiland” oversteken. Dit kan logisch verklaard worden in de bijnamen voor het schip "Endils andrar," "Endils itrskid," Endil's skise, en ook "Endils eykr" Endils paard. Dus: de Elven steken water op hun sneeuw-schaatsen (of ter paard?) net zo gemakkelijk als zij een weiland op ski’s zouden oversteken. Rydberg speculeert dat Endil een samenvoeging is van Vendil, Vandil, het achtervoegsel van de naam Orvandel, "de pijl-werker", hetgeen aantoonbaar een bijnaam van Egil is.

Snorri heeft een ander verhaal bewaard van deze opmerkelijke schaatsen: wanneer ze niet aan zijn voeten gebruikt worden, dan kunnen zij dienst doen als schild. Dit wordt aangetoond door een andere naam voor het schild, "skip Ullar", Ull’s schip; en een bijnaam in de Edda zegt "Ullr atti skip that, er Skjoldr het", Ull heeft het schip dat Schild heet. Met betrekking tot de sneeuw-schaats, dit kan mogelijk een bepaalde relatie hebben met het idee dat Hrungnir op zijn schild stond toen Thor met hem kwam vechten, en de parafrase die daarvan het gevolg is.

In Boek 5 van Saxo's Deense Geschiedenis maakt hij een wonderlijke opmerking over de Finnen. Hij zegt dat “De Finnen, de meest verre mensen van het Noorden, … zijn erg goede speermensen, en geen enkel land heeft een betere vaardigheid in het werpen van de speer. Ze vechten met grote, brede zwaarden; ze zijn verslaafd aan het bestuderen van spreuken; zij zijn vaardige jagers......Rijdend op gekromde planken, rennen ze over dik besneeuwde heuvelruggen." Opnieuw kunnen we ons hier Elven voorstellen. In Volundarkvida worden de drie broers de zonen van de Finnakonung, de Koning van de Finnen, genoemd, en de jongste draagt de naam Slag-finn. Ze zijn jagers en sneeuw-schaats lopers. Ze zijn vaardige tovenaars, zoals Volund en de elven. Niet toevallig: alle drie de wapens, die genoemd worden, kunnen worden geassocieerd met de Zonen van Ivaldi. Van de Zonen van Ivaldi wordt gezegd dat zij de speer Gungnir voor Odin gemaakt hebben; van Volund wordt gezegd dat hij een machtig zwaard heeft gemaakt; en Egil is een boogschutter. Zoals Rydberg heeft aangetoond tonen de bronnen een opmerkelijke consistentie met betrekking tot deze karakters.


Steeds weer blijkt dat wat gezegd wordt over Ull ook gezegd wordt over Egil. Duidelijk is dat er een bepaald verband is tussen deze twee mythische karakters. In de gehele Oud Noorse mythische literatuur wordt van niemand buiten deze clan gezegd dat hij zowel een sneeuwschaats-loper en een boogschutter is. Deze kenmerken zijn alleen karakteristiek voor Thjazi's dochter Skadi; Ull en Egil. Het moet ook worden opmerkt dat Snorri Ull beschrijft als zijnde "mooi om naar te kijken", een beschrijving die soortgelijk is aan die van Egil's broer Volund in Volundarkvida, waarvan wordt gezegd dat hij een “witte nek” heeft en wiens ogen “glinsteren”. (Een vergelijking van Haustlaung met Volundarkvida, openbaart de identiteit van Volund en Thjazi, wiens ogen in sterren worden veranderd en wiens dochter Skadi is). Zoals we weten wordt van Egil gezegd dat hij zowel Volund’s als Thjazi’s broer is--- Alle tekenen wijzen erop dat hij een goede kandidaat is voor het zijn van Ull’s mysterieuze vader.

Omdat de Edda’s geen daadwerkelijke mythen over Ull opleveren gaan we ons richten op de historische documenten, die zeer zeker van heidense mythische bronnen afgeleid zijn, namelijk Saxo Grammaticus' Deense Geschiedenis. Daar treffen we twee namen aan die Saxo gelatiniseerd kan hebben van de oorspronkelijke Oud Noorse naam Ull. Zij zijn Ollerus (Boek 3) en Rollerus (Boek 5).

In Boek Drie verhaalt Saxo dat Odin ooit van de troon gestoten was nadat aan het licht was gekomen dat hij als vrouw gekleed ging en aan tovenarij deed om Rind te verleiden. Loki onthult gelijksoortige beschuldigingen tegen Odin in Lokasenna 24, en de hofmakerij wordt geschetst in Havamal 97-102, waardoor deze episode niet zonder mythische basis is. Verderop zegt Saxo:

"Maar de goden, wiens belangrijkste zetel Byzantium was, die zagen dat Odin de goede naam van de hoofd-god had besmeurd met verschillende krenkingen tegen zijn grootsheid, meenden dat hij uit hun gemeenschap verwijderd zou moeten worden. En ze hadden hem niet alleen uit hun midden verwijderd, maar verbanden hem ook en verwijderden ook alle tekenen van eerbied. Ze meenden dat het beter was dat de macht van hun beruchte leider zou worden afgenomen dan dat het publieke geloof zou worden ontheiligd; en omdat ze bang waren dat ze zouden worden aangekeken op de zonde van een ander, en, hoewel schuldloos toch zouden gestraft voor de misdaden van de schuldige."

Met andere woorden: Odin werd afgezet door de gezamenlijke goden omdat hij Seidhr beoefende, en zij wilden niet voor de misdaden boeten die hij gepleegd had. Dit weerspiegelt het sentiment van Voluspa 21-27 die (deels) luidt:

(Volupsa)
24: Alle machten gingen naar hun zetels van rechtspraak, alle heilige-goden hielden daar een vergadering over de vraag of de Aesir een compensatie zouden moeten betalen en of dat alle goden een bijdrage zouden leveren.
25.Odin wierp zijn speer tussen de aanwezigen, dat was de eerste volksoorlog van de wereld; de muur van de Aesir werd geslecht, de Vanir met voorkennis liepen over de vlakte.

Net als in Saxo’s versie speelt tovenarij hier een belangrijke rol. In de eerdere strofen hebben de Aesir Gullveig verbrand in Odin’s eigen hal. Ze is zeker een tovenares en een slechte (Voluspa 22). Maar niettemin zijn de Vans het niet met deze moord eens. Strofe 24 lijkt te suggereren dat er praat is dat zij allen (Aesir en Vanir) gezamenlijk de schuld dragen, maar de een of andere partij is het niet eens met deze kijk op de zaak. Er moet iets gezegd zijn wat de woede van Odin heeft opgewekt omdat hij zijn speer tussen de verzamelde goden werpt, terwijl hij de oorlog uitroept. De Vanir winnen deze en zij breken door de muur van Asgard. >Uit de context en uit wat boven gemeld werd is het waarschijnlijk dat de Vans Odin ervan beschuldigden dat hij zich tevens bezig hield met illegale seidhr praktijken en daardoor weigerden om de schuld te delen. Zoals we weten verleidde Odin Rind door gebruik te maken van dit soort magie. Saxo zegt dat hij “haar aanraakten met een stuk boomschors waarop spreuken waren geschreven en hij nam haar als iemand die waanzinnig was." Saxo breidt dit verhaal uit in boek Zes en beschrijft volledig de belegering van Asgard door de Vans. Daar infiltreert Fridlief (Njord) het kasteel van Bjorn (Odin) en dwingt hem tot verbanning. Het is voldoende om te stellen dat de Vans de controle over de hemelse stad winnen en Odin en de Aesir worden voor een bepaald aantal jaren verbannen. Ondertussen regeren de Vans in Asgard. Maar in plaats van Njord, die eigenlijk een god van vrede en welvaart is, installeren de Vans Ull op de troon. Ull is altijd vriendelijk ten opzichte van de Vans geweest. Er bestaat een langdurige verbinding tussen Ull en de Van-god Frey, welke ik hieronder zal behandelen-- (Merk op dat Grimnismal 5 huis woningen dicht bij elkaar plaatst, en aan Frey wordt Alfheim gegeven “als een tand-gift", implicerende dat hij daar machthebber wordt gemaakt.)

Terugkerend naar het verhaal zoals verteld door Saxo in Boek Drie, vervolgt hij:
 
"Niet wensend dat Odin het publieke geloof in ballingschap zou drijven, verbanden zij hem en plaatsten ene Ollerus (Ull) in zijn plaats, teneinde niet alleen de symbolen van koningschap te dragen, maar ook als een godheid, alsof het eenvoudig is geweest om een god als koning te creëren… Bijna tien jaar lang bekleedde Ollerus het presidentschap van de heilige senaat; maar uiteindelijk vonden de goden de verschrikkelijke verbanning van Odin toch wel zielig en meenden dat hij nu wel zwaar genoeg gestraft was, en verwisselde zijn vuile en afzichtelijke landgoed voor zijn oude rijke pracht en praal."

Grimnismal 42 lijkt te suggereren dat Ull een hoge positie bekleedde onder de goden ("Ullar hylli hefr ok allra goda"). Noch is dit het enige ondersteunende bewijs uit de gedichten van de Oude Edda. In Boek Een van zijn Deense Geschiedenis spreekt Saxo van een tijd toen Odin niet bij de goden in Upsala woonde:

"Terugkomend vanuit ballingschap, dwong hij iedereen, die van zijn afwezigheid gebruik had gemaakt, om de eretekenen van heilige rang die ze hadden aangenomen terug te geven; en de bendes van tovenaars die waren opgestaan verspreidde hij als een duisternis voor de naderende glorie van een godheid."

We hoeven niet aan te nemen dat Odin’s toorn op Ull, die hem daadwerkelijk vervangen had, gericht was, maar meer, zoals Saxo stelt, op ene Mid-Othin, die de gelegenheid te baat had genomen “om net te doen alsof hij goddelijk was en de geesten van de barbaren in verse duisternis hulde. ....Hij zei (tegen de gelovigen) dat de toorn van de goden nimmer kon worden gesust, noch kon de woede van hun godheid verminderd worden door verschillende offers en kondigden daardoor
  aan dat de gebeden voor dit doel begonnen moesten worden zonder uitstel, en wezen met diens speciale drankoffer naar ieder hierboven genoemd."

Met andere woorden: toen Odin in ballingschap was, heeft ene Mid-Othin de gelegenheid genomen om god te spelen en heeft de gelovigen de opdracht gegeven om offers te geven aan individuele goden, in plaats van de goden als geheel. Odin maakt bij zijn terugkeer direct een eind aan dit edict, al uit Havamal 145 blijkt:

"Het is beter om niet te bidden dan teveel te offeren; een gift vraagt er altijd iets voor terug. Het is beter om het niet te verzenden dan teveel te eten; Dus Thrund was somber voor de oorspring van de mens, toen hij opstond, toen hij terugkwam."

Dat deze Mid-Othin niemand minder is als Loki wordt duidelijk wanneer men goed kijkt naar de bronnen die over hem gaan. Saxo zegt van Mid-Othin:

"Zelf in de dood werden zijn wreedheden duidelijk gemaakt, want zij die dicht bij zijn woning kwamen werden vermoord door een soort plotselinge dood; en na zijn neergang verspreidde hij zo’n epidemie dat hij een vuigere reputatie na zijn dood leek te hebben dan tijdens zijn leven. Het was alsof hij van de schuldigen een afstraffing wilde afdwingen door zijn slachtpartij."

Saxo beschrijft de vastgeketende Utgard-Loki, die door de avonturier Thorkill in de onderwereld ontdekt wordt in Boek 8, in soortgelijke termen. In deze Utgard-Loki herkennen we Loki die vastgebonden in de onderwereld zit. Saxo heeft opnieuw een mythische beschrijving gehistoriseerd. Over deze Utgard-Loki zegt Saxo dat, toen Thorkill een haar uit de kin van de gigant plukte er "zo’n vreselijke stank de omstanders bereikte, dat ze niet konden ademhalen zonder hun neuzen in hun mantels te stoppen" en verderop heeft Saxo het over hem als een "valse god". Saxo zegt dat de “geur van het haar" "geplukt uit de lokken van de gigant...werd ingeademd door de omstanders waardoor velen van hen stierven". Loki alleen kan juist omschreven worden als een “valse god” en een “gigant”. Nergens anders beschrijft Saxo zo’n karakter. Het is duidelijk: Mid-Othin is zijn Utgard-Loki, die we simpelweg als Loki kennen. Van Loki, als Mid-Othin, kan gesteld worden dat hij is gestorven, omdat hij in de onderwereld gevangen is gezet.

Saxo's verhaal over Rollerus in Boek 5 is het beste bewijs voor de identiteit van Egil als Ull’s vader. Daar ontmoeten we een stel broers, genaamd Roller en Erik: "zonen van Ragnar, de kampioen, en de kinderen van één vader en verschillende moeders. Roller's moeder en Erik’s stiefmoeder heette Kraka". Twee opmerkingen in het verhaal maken het waarschijnlijk dat deze Roller de Ull van onze mythologie is. Van Roller's moeder (welke, als hij Ull was, Thor’s vrouw Sif zou zijn) claimt Saxo:

"Ze vertrouwde deels op haar goddelijke attributen en ze ging op een zodanig manier met de goden om dat ze een natuurlijke en hemelse macht uitoefende."

Thuiskomend ontdekten de halfbroers "dat Ragnar dood was en dat Kraka al ene Brak gehuwd had.”

Later vecht deze Brak aan de zijde van Roller en Erik tegen Koning Gotar, waarvan uit de context blijkt dat hij zonder twijfel een gigant was. Het is mogelijk dat Saxo de bijnaam van Thor, “Asa-Bragi”, gelatiniseerd heeft tot Brak, waardoor hij Roller’s stiefvader dezelfde als die van Ull maakte. Maar, gelet op de voorliggende vraag (wie is de vader van Ull?), geven de namen Ragnar en Kraka weinig hulp en dus moeten we deze vraag vanuit een andere hoek benaderen.

In de hoofdtekst van het verhaal begeven Roller en Erik zich op een missie om naar het hof van Koning Frodi en zijn zuster Gunvara "bijgenaamd de Schone, vanwege haar onvergelijkelijke schoonheid”, te gaan. Het de beschrijving van het hof is het duidelijk dat de vriendelijke Koning Frodi en zijn zuster in het gezelschap van giganten zijn. Van deze mannen, zo vertelt Saxo ons, dat hun “gedrag zo vreselijk en oncontroleerbaar was, dat ze de bruiden en dochters van andere mannen lastig vielen" (pag. 122); onder hen was eer eentje die “stormen kon opwekken door middel van zijn spreuken" (pag. 128); en ze maakten allemaal “ontzettend vreselijke geluiden dat op gebrul leek" (pag. 135). Prominent onder hen was een vrouw die Gotwar heette en die “geen enkele man kon onderwerpen" en die "die waarvan je op rekenen kon dat ze (onbeschaamde) vragen zou stellen, maar was gewapend was met koppige antwoorden." Van haar zwager Westmar werd gezegd dat hij “twaalf zonen had waarvan er drie de naam Grep gemeen hadden." Deze zonen waren "stoutmoedig van geest en lieten hun moed roekeloos worden, en lieden hun schuld-bevlekte geesten zorgen voor vuile en vernederingen orgies". En één van die Greps in het bijzonder "probeerde een thuisbasis voor zijn uitzonderlijke liefdesavonturen voor de liefde van de zuster van de koning," maar Saxo verzekert ons dat deze liefde nimmer geconsumeerd werd omdat Gunvara haar minnaar minachtte. Deze oudste Grep heeft zijn moeders gladde tong geërfd, want toen zij aankwamen, begon Erik direct een twistgesprek met hem.

Niet verwonderlijk vinden we referenties in de Oud Noorse literatuur die bevestigen dat deze bovenstaande episode
  rechtstreeks vanuit de mythologie afkomstig is. In Koning Frodi en zijn mooie zuster Gunvara herkennen we de Van-goden Frey en Freyja. Voluspa 25 vertelt ons dat Freyja ooit door giganten gevangen werd gehouden toen de vraag gesteld werd "Wie gaf Od’s vrouw aan de giganten en vermengde de lucht met slechtheid?" In een losstaand vers van de skald Kormak wordt dichtkunst aangemerkt als "de ziedende vloed van de zee-mannen van Syr van de Greps." (Skaldskaparsmal 66). Hier treffen we een bijnaam van Freyja (Syr; Gylfaginning 35) aan, geassocieerd mer "greppa," Greps. De uitleg van deze bijnaam voor dichtkunst wordt uitgelegd door Saxo, waar één van de Greps Erik uitdaagt voor een slag met de tongen. In Saxo is Erik bekend om zijn welsprekendheid. En als een verwijzing naar Freyja's geliefde ornament Brisingsamen, wedt de vrouwelijke gigant Gotwar een “zware halsketting" tegen Erik tijdens één van de vele wedstrijden die hij en Rollen moeten spelen in het hof van Frodi en Gunvara. Dat Frey ook op enig moment in Jotunheim was wordt gesuggereerd door zijn gebruikelijke bijnaam "Beli's doder" (Skaldskaparsmal 14 en elder). Beli betekent "de (wolven) huiler”, hetgeen ons direct doet denken aan Saxo’s beschrijving van de giganten die in Frodi’s nabijheid zijn, en een poëtisch fragment van Eyvind Skaldaspiller noemt een onbewoond noordelijke land "het meest afgelegen gesitueerd woongebied van Beli’s doder." Dat Frodi’s koninkrijk is gesitueerd in een koud, afgelegen land kan opgemaakt worden uit Saxo’s verhaal. Het ligt aan de overzijde van een grote zee, gevaarlijk gemaakt om over te steken door magische stormen, net zoals Jotunheim.

Aan het einde van het verhaal vertelt Saxo ons dat Erik met Gunvara trouwt; en in Boek 7 vertelt hij ons een gerelateerd verhaal waarin de laaggeboren held Otharus de hooggeboren Syritha redt van slavernij door een vrouwelijke gigant. Hier herkennen we de namen Odr en Syr, nauwelijks verhuld. Net zoals Erik en Gunvara, trouwt Otharus ook met Syritha. Deze twee verhalen zijn duidelijk episodes in de “verloren” mythe van het huwelijk tussen Freyja en "de man genaamd Odr", opnieuw verteld door Saxo Grammaticus als de geschiedenis van de Denen.

De gedichten Groagaldr en Fjolsvinsmal uit de Edda voltooien deze mythe. Het is een geaccepteerd feit dat deze twee gedichten, die verhalen hoe de held Svipdag de hand wint van de vrouwe Menglad, met elkaar verbonden zijn. Ze horen bij elkaar en zijn twee delen van hetzelfde verhaal, maar daartussen ligt een grote lacune. In Groagaldr krijgt Svipdag van zijn stiefmoeder de opdracht om "Menglodum," de Ornamenten-Geliefden” te zoeken, hier in het meervoud gebruikt (Als een ‘fout’ gezien, dit woord wordt gewoonlijk slechts als enkelvoud aangetroffen. Zie Vigfusson Corpus Poeticum Bor, pag. 94 fvoetnoot: omdat dit gedicht vreemd genoeg niet aanwezig is in de Neckel-Kuhn tekst), en in Fjolsvinsmal wordt hij eindelijk herenigt met Menglad (enkelvoud) die zijn “bruid van het lot” is (strofes 43 & 46). Ze heeft lang op hen gewacht tot hij “naar haar hal zou terugkeren” (str. 49), alhoewel strofe ons verzekert dat hij daar nooit eerder geweest is. Het is duidelijk dat Svipdag en Menglad elkaar eerder ontmoet hebben. Strofes 36-41 vertellen ons dat zij een godin is en één van de hoogste, terwijl Grimnismal 47 ons meldt dat de naam van de wachtsman aan de poort, Fjolsvidr, een bijnaam van Odin zelf is. Uit de context van het gedicht blijkt dat Svipdag buiten de poort van Asgard staat. De eerste strofe vertelt ons zelfs dat hij
  "naar boven" moest reizen om daar te komen ("upp of koma"). Eerder meende men dat het onbekend was wat plaatsgevonden had tussen Groagaldr en Fjolsvinsmal. Groagaldr levert verschillende aanwijzingen op en Saxo’s verhaal betreffende de helden Erik en Otharus vullen de witte plekken in het verhaal. Bijvoorbeeld, wanneer Groagaldr de siefzoon Svipdag achter "Menglodum" aanzendt, zendt Saxo de stiefzoon Erik en zijn halfbroer Roller (Ullr) achter Frodi (Frey) en zijn zuster Gunvara (Freyja) aan. Uiteraard kunnen Frey en Freyja beschreven worden als liefhebbende ornamenten en Freyja zelf is eigenaresse van “het mooiste ornament onder de hemel", Bringsa-Men—het is het voorvoegsel van haar eigen naam Men-glad. Uit oogpunt van bondigheid zal ik niet uitweiden over de talloze parallellen die hun identiteit bevestigen.

Om het duidelijk te stellen: Saxo’s helden Erik en Otharus zijn identiek aan de held Svipdag uit de Edda, die Snorri Odur noemt, "de man die trouwde met". Wanneer de verhalen die behouden zijn in Groagaldr, Saxo en Fjolsvinsmal naast elkaar worden gezet dan ontstaat er een episch verhaal, waarin de zonen van Egil, Odr en Ull, de godin Freyja redden, en haar broer Frey van de giganten, en hen veilig terug brengen naar Asgard. Odr wordt voor zijn moeite beloond door Freyja’s echtgenoot te worden.

>Vanuit de bestaande bronnen wordt het mogelijk om de identiteit van Odr-Otharus-Erik-Svipdag's vader vast te stellen en dus ook, door deduceren, die van (Roller). Dit is de meest duidelijke:

(Als je dit leest hou dan wel in de twee vorige essays in de gaten want dan hoef ik niet alles opnieuw uitgebreid uit te leggen)

Svipdag's moeder, de tovenares Groa is getrouwd met Aurvandil (Orvandel). Wanneer haar echtgenoot in het land van de giganten reist blijft zij veilig in het huis van Thor achter. Op één van die avonturen redt Thor Orvandel van een zekere dood en draagt hem in een mand over de rivier de Elivager. Op de heenweg wordt Orvandel's teen ontbloot; Thor breekt het af en plaatst het in de hemel, waar het een ster wordt (Skaldskaparsmal 17). Uit het verhaal wordt duidelijk dat Thor ergens halverwege achterlaat, waarschijnlijk in Orvandel's eigen huis, voordat hij naar Asgard terugkeert. Net zoals Egil wordt Orvandel nauw geassocieerd met Thor en woont ergens aan deze zijnde van de rivier de Elivager.

In Fornaldarsaga (iii, 241) wordt gezegd dat Groa een weesjongen vindt in een "flaedarmal" (een paats die deels door vloed overstroomd wordt); ze brengt hem mee naar huis en voedt hem als haar eigen zoon op.

In Hoofdstuk 15 van Paul the Deacon's History of the Lombards, vindt Koning Agelmund (Egil) een achtergelaten jongen, de zoon van een vrouwelijke gigant, in een ingedijkt stuk water en voedt hem als haar eigen zoon op. Als hij uit het water gevist wordt, noemt Agelmund de jongen Lassimo, hetgeen “dam” betekent. De jongen groeit op en zal een grote held worden.

Zoals eerder al werd gesteld (in Aesir en de Elven, deel 1), wordt de jongen Thjalfi in Egil’s huis aangetroffen. Hij wordt later geadopteerd door Thor en wordt zijn metgezel, en een held op zijn eigen merites door de modder-gigant Mist-Kalf te verslaan gedurende het gevecht van Thor met de gigant Hrungnir. Net zoals Lassimo suggereert de naam Thjalfi een dam. Vigfusson merkt een mogelijke connectie op tussen het OE "delve", een dijk, en het AS "delfan", en Nederlands "delven", graven, in de grond werken met een spade. Deze betekenissen kunnen de sleutel vormen tot de symboliek achter het gevecht van Thjalfi met de gigant Mist-Kalf. Omdat de gigant van klei gemaakt is, zet Thjalfi zijn voeten onder water, waardoor ze wegspoelen en het monster doen omvallen. Ik trek hier geen conclusies uit, ik noem alleen maar de mogelijkheid.

Dus: in één bron wordt Thjalfi geadopteerd door Groa, de echtgenoot van Orvandel "de pijl-bewerker", en in een ander is hij de geadopteerde zoon van de boogschutter Egil (zie Aesir en de Elven, 1 van 3). Zoals we weten is de teen van Orvandel een ster geworden (net zoals de ogen van Erik’s broer Thjazi). Vanuit een hymne aan Christus, bewaard gebleven in Codex Exoniensis en opgetekend door Jacob Grimm in zijn Deutsche Mythology, worden we gesterkt dat de ster Orvandel (elders bekend als Orvandilsta, Orvandel's teen) bekend staat door zijn helderheid:

"O Earendel (Orvandel), helderst schijnende van Engelen, gij die over wordt gezonden naar de mensen, gij ware straal van de zon, boven de lichten van de hemel schijnend, gij die altijd uit uzelf licht geeft"

In Fjolvinsmal 47 noemt Svipdag, de zoon van Groa, zijn vader eufemistisch "Solbjartr," Zon-helder”, hetgeen ook licht werpt op zijn eigen naam Svipdag, "schijnende steun." Verderop zegt Svipdag dat hij langs de "wind-koude paden van huis" heeft gereden. Dit is ongetwijfeld een referentie aan zijn avonturen Jotunheim toen hij zijn bruid Menglad-Freyja uit de klauwen van de giganten redde. Dat Solbjartr niet de werkelijke naam van zijn vader was, maar meer eenbeschrijvende bijnaam, wordt totaal helder wanneer we Fjolvinsmal 6 lezen waar hij zegt "Wind-koude, word ik genoemd; Erg-koud is mijn vader". Het gedicht zelf wordt gekenmerkt door dit soort woordspelletjes en slechts enkele zaken worden bij hun daadwerkelijke naam genoemd. (Bijvoorbeeld: Fjolsvidr's wolven worden Gifr en Geri genoemd, str. 14. Terwijl Odin’s wolven Geri and Freki heten).

Dit zijn slechts een paar van de vele verwijzingen die wijzen op het feit dat Egil de vader is van Svipdag. Dus lijkt het erop dat Egil twee zonen heeft die belangrijke functies hebben in Asgard, en een derde geadopteerde zoon die hetzelfde doet: Svipdag die de godin Freyja trouwt en vrienden wordt met haar broer Frey; Ull die op enig moment daadwerkelijk de plaats van Odin op de troon van Asgard inneemt; en Thjalfi die een trouwe metgezel is van Thor. Het is interessant om te zien dat, net zoals de Zonen van Ivaldi die schatten smeden voor zowel Frey, Odin en Thor, ook Egil’s zonen geassocieerd worden met diezelfde goden. Het is geen wonder dus dat de Aesir en de Elven zo vaak samen genoemd worden.

Op deze manier hebben de identiteit van Ull’s vader ontdekt; voor de eeuwenoude Heidenen was hij de boogschutter Egil, de middelste zoon van de elf Ivaldi en de gigant Greip; Volund's broer, en één van de clan van de elvensmeden, de Zonen van Ivaldi. Idunn is hun zuster. Er bestaat dus geen mysterie waarom Ull en Egil zo vaak met gelijke termen worden benoemd en in relatie met Thjazi-Volund’s dochter Skadi worden gezien.


Terug