MEVROUW BLAVATSKY EN DE THEOSOFEN

Maurice Magre
Aangeboden ter exclusieve publicatie op Boudicca's bard

 

DE MEESTER EN DE KEUZE VAN DE BODE

Toen Jacob Böhme nog een kind was en zich op zekere dag alleen in zijn vaders schoenmakerswerkplaate bevond, trad er een onbekende binnen om schoeisel te kopen. Hij keek hem diep in de ogen en zei ernstig „Jacob, je zult later de wereld verbaasd doen staan door je woord. Je zult veel vervolging moeten verduren, maar wees gerust, je wordt door God bemind en hij heeft deernis met je."

Evenzo zag Helena Petrovna Blavatsky, gezeten in de stille zalen van het kasteel der Fadeëfs, waar de jaren harer jeugd verliepen, soms een schaduw rondom zich, het beschermend beeld van een man, die haar welwillend toelachte en waarvan zij de invloed onderging. Die gedaante had haar ook kunnen zeggen: „Gij zult veel ellende en vervolging moeten verduren". Want er zijn van tevoren getekenden. Zij, die belast worden de mensen een onthulling te brengen, een verlossend woord over de hoogste vermogens der ziel, kunnen dit slechts tegen de prijs van de haat hunner medemensen. Zij moeten ellende en vervolging ondergaan. Maar zij behoren tot een soort broederlijke keten en hebben van hun kindsheid af rondom zich aankondigende tekens.

Gelukkig een kind waaraan een smartelijk leven wordt voorspeld door een ernstig gelaat, vluchtig als een droom, een kind, waartegen een onbekend bezoeker zegt: „Wees rustig en flink, want je wordt door God bemind".

H. P. Blavatsky is de meest directe der boodschappers uit het Oosten, die ons ter kennis kwam. Tsong-Ka-Pa, de grote wijze en Boeddhistische hervormer herinnerde in de 14de eeuw de ontwikkelden der wijde Tibetaanse hoogvlakten en Himalaya-gebergten aan de voorschriften ener zeer oude wet. Deze stond in verband met het evenwicht der twee tegengestelde en even juiste beginselen: de waarheid moet geheim worden gehouden, en de waarheid moet worden verbreid. Want al sterft de mens ook eeuwiglijk aan zijn onwetenheid, een voortijdig verstrekte kennis is even noodlottig als het licht voor wie lange tijd in duister heeft verwijld. Tsong-Ka-Pa herinnerde er aan, dat op het einde van elke eeuw een poging moest worden gedaan lering te brengen aan de mannen van het Westen, die alleen dachten aan stoffelijke welstand en macht.

In de lamaserie van Ghalaring Tcho dicht bij Tchi-gatzi op de grenzen van Tibet en Voor-Indië beraadslaagden mannen, die door hun meditatieoefeningen sterk vergeestelijkt waren, ascetische wijsgeren, in de menselijke hiërarchie veel hoger gestegen dan wij, over het middel, waarop de boodschap aan de hoogmoedige, ongelovige volken kon worden overgebracht. Uit hetgeen wij van die beraadslaging kunnen weten, blijkt, dat men volgens de bijna algemeen gedeelde overtuiging gereed stond die poging op te geven. Had het Westen niet alle mogelijkheden verloren de oude, waarachtige leer te kunnen opnemen en verstaan? Waarvoor dan een boodschap te zenden aan wie haar niet ontvangen wilden?

Toch verhieven zich twee stemmen ten gunste van gehoorzaamheid aan het voorschrift van Tsong-Ka-Pa. Dat waren die van twee Hindoes, Morya, een afstammeling der vorsten van de Pendjab en Koet Hoemi, geboortig uit Kashmir. Zij namen de verantwoording op zich van de taak iemand naar het Westen te zenden, die de Brah-maanse wijsheid verspreiden zou, een deel der geheimen onthullen over mens en natuur, waarvan de ontsluiering raadzaam scheen.

En het was H. P. Blavatsky, die zij daarvoor kozen. Waarom zij eerder dan een man, meer bevoegd door kalme overweging, overredingskracht, ordelijk begrip en onthevenheid aan driften, hoedanigheden waarin mevr. Blavatsky altijd te kort schoot? Dit houdt verband met •een menselijke omstandigheid, die, hoe aannemelijk ook, door de verstandelijk begaafden van ons ras met een minachtende glimlach verworpen wordt. Wij worden geboren met een lang verleden. Het is dit verleden, dat de omstandigheden en gebeurtenissen van ons leven bepaalt, wat wij toe willen schrijven aan die schaduw, welke het toeval heet en die hersenschim van de vrije wil. Krachtens dit verleden was H. P. Blavatsky gebonden aan Morya. Zij werd gekozen om haar buitengewone mediumieke gaven, de bovennormale vermogens, die zij sedert haar kindsheid had getoond, het gemak, waarmee Morya en Koet Hoemi op een afstand door gedachten-overbrenging met haar in verbinding konden komen. En ook om haar onbaatzuchtig geloof, haar grenzeloze liefde voor kennis, de geheimzinnige drang, die sommigen aandrijft, mochten zij er ook aan sterven, om temidden der duisternissen, die het de natuur behaagt rondom ons op te stapelen, de lichtende lamp van hun intelligentie altijd hoger en hoger te heffen.

Wanneer ook het bestaan van Meesters in Indië, Tibet en China als onbetwistbaar wordt beschouwd, is er toch in Europa maar een kleine minderheid, die er geloof aan hecht, en ook deze minderheid wordt door het gemiddelde der ontwikkelden voor minder vol aangezien. Dit komt, omdat men omtrent de Meesters geen stellige gegevens hebben kan, geen enkel stoffelijk bewijs voor hun bestaan kan worden verstrekt. Dit bewijs zou evenwel gemakkelijk kunnen worden gevonden, maar men moet het zoeken en de daarvoor te gebruiken methode zou bevreemdend kunnen lijken. Het is gemakkelijker te ontkennen. Dan ook schokt het bestaan van Meesters de hoogmoed van de intellectuele parvenu, die ieder bij de geboorte ter wereld meebrengt.

Het idee, dat er in het zand en de sneeuw van een zo gezegd wilde streek mensen bestaan, en nog wel kleurlingen, die niet zonder voorbehoud bewondering koesteren voor auto's, vliegtuigen en de arbeid van geneeskundige instellingen en die het toch zelfs verder dan wij in metafysische kennis en bestudering van de geest zouden hebben gebracht, is iets dat onwaarschijnlijk lijkt, verontwaardiging wekt en de schouders doet ophalen. Men kan zich het bestaan van hogere mensen niet indenken zonder zich voor te stellen, dat zij de trots moeten missen hun meerderheid ten toon te spreiden om beroemd te worden, decoraties te verwerven, in officiële genootschappen te worden opgenomen. Wij komen hier aan een punt, waar belangeloosheid niet meer denkbaar schijnt. Evenmin is het denkbaar, dat men zich van al de wonderbare ontdekkingen der wetenschap, zo doelmatig voor lichaamsgeneugten aangewend, onthouden kan. Zo vergelijkt men de wijzen der Tibetaanse lamaserieën bij fakirs, bedreven in het verrichten van vlot afgaande wonderen, en verstervers van het vlees.

Zij, die aan meesters geloven, maken er van hun kant een verkeerde voorstelling van. Als zij eens de gedachte hebben aanvaard, dat er hogere wezens bestaan, verborgen in eenzaamheid, meer geestelijk, meer ontwikkeld, volmaakter dan wij, ontnemen zij hun de menselijkheid en kennen hun de deugd en de macht van goden toe. Zij zien af van waarschijnlijkheid en voldoen aan een lang onderdrukte zucht naar toewijding, een ingeboren trek naar godenaanbidding. Niet alleen hebben die meesters dan vermogens, die de verbeelding te boven gaan, maar zij leiden naar hun welbehagen de mensheid, doen rassen geboren worden en weer sterven, zien met één blik al de gedachten aller mensen en wegen het goed en het kwaad. De legende van de koning der aarde is door die gelovigen voorbijgestreefd, even verblind als de meest verblinde christenen en verstoken van alle rede. Saint Yves d'Alveydre vertelt, dat de leden der Agartha bij hun onderzoekingen der aardkorst een mensenras met vleugels en klauwen hebben teruggevonden en een vliegende draak, half aap, half mens. En Leadbeater herhaalt bijna de gesprekken, die Jezus en Boeddha onderling houden op een stenen bank aan de voet van een zware boom.

De Meesters bestaan, maar het zijn geen goden. Het zijn slechts mensen vol wijsheid. Dat is al veel. Wanneer zij, zoals reizigers vermelden, in zichzelf een kunstmatige warmte op kunnen wekken om weerstand te bieden aan de koude der hoge streken, lijden zij toch van de ijzige winden en vormt de sneeuw kristallen in hun menselijk hoofdhaar. Ze zijn gebonden aan geregelde voeding, aan de vergetelheid van de slaap. Zij worden de hardheid der aarde, de onmetelijkheid van de hemel gewaar, de gestrengheid der wet. Zij kennen het geheim van de dood en kunnen zijn komst vertragen, maar niettemin moeten zij hem ondergaan. Wanneer zij bereikt hebben het merendeel onzer smarten, door begeerte en egoïsme verwekt, te onderdrukken, dan ervaren zij wellicht andere, van een orde, die wij niet in kunnen denken, geboren uit hun begrip en hun liefde. Aan de poorten gekomen van het Nirwana moet hun blik, achterwaarts geworpen op hun broeders, die zover zijn teruggebleven, hen dikwijls op hun schreden doen omkeren. Zij overwinnen het medelijden door intelligentie en met het medelijden komen zij er toe de diamant van de intelligentie te breken. Maar bereiken zij de volkomen kalmte?

De top, waarop zij met moeite zijn geklommen, is er geen. Er is geen top in een eindeloze hiërarchie. Bevrijd van het maatschappelijke leven en zijn dwangboei zien ze, kennen ze en bereiken door de stuwing hunner intuïtie de rijken des lichts, maar als zij het willen, kunnen zij de afgelegde boei niet meer aandoen. Zij hebben die achter zich gelaten. Aan de bevrijde gevangenen is toegang tot de oude kerker ontzegd. Zij zijn ongeschikt voor der mensen gedrag, voor hun diplomatie, voor hun bedrog. Geen der verheven adepten van de Agartha zou een handelsbetrekking kunnen aanvaarden, president wezen van een genootschap of zich laten kiezen tot kamerlid. Wanneer zij in zekere mate ook de komende gebeurtenissen kunnen voorzien, moeten zij toch dikwijls in hun berekeningen falen door tegenwerking van de haat. Wanneer hun grotere intelligentie de cosmische wetten doorgrondt en ons nog onbekende vermogens bezit, moet toch dwaling hun deel zijn op menselijk gebied.

Met welke eerbied of godsdienstig gevoel men die grote boodschappers ook omklede, men is genoopt die dwaling te erkennen. Men ziet hun onmacht ten aanzien van het kwaad, de onvruchtbaarheid hunner pogingen om hun werk te beschermen. Men ziet hen dikwijls kinderlijke middelen aanwenden om grote plannen te verwerkelijken. Dit was het geval met het stichten van de theosofische beweging. Deze had een zedelijke omwenteling kunnen teweegbrengen zo groot als men nooit nog zou hebben gezien. Van haar uit zou een haard van broederschap hebben kunnen oplaaien zo vurig, dat rondom haar vlammen rassen en religies zich zouden hebben verzoend. Maar dwaling lag aan haar ten grondslag. Haar punt van uitgang, als propagandamiddel, berustte op dwaling. Een grote beweging kan niet worden aan gang gebracht met verschijnselen en wonderen, zelfs als daarachter zich de sterke steun van de leer verheft. Dit was de elite der Westerlingen ten uiterste miskennen. Hoe weinig talrijk die ook mocht zijn, het was deze elite, die men winnen moest. Hoewel verstoken van elk waarachtig spiritualisme, vroeg ze toch iets anders dan brieven langs occulte weg verzonden, of rozen van het plafond vallend, nog nat van de dauw. De wijsbegeerte van het Oosten werd met fakirkunsten aangebracht en zinsbegoochelende luchtspiegeling. De boodschap verloor er haar grootsheid door en de onwetenden en twijfelingzuchtigen maakten er gebruik van om haar naar beneden te halen.

De intelligenten konden niet aannemen, dat een hoge gedachte in een goochelaarsbeker verborgen lag. En toen de „Geheime Leer" verscheen, was het te laat. De sterke stromen van haat, die zich ontketenen tegen de dragers van nieuwe waarheden, hadden werk en auteur reeds overstelpt. De laster had het etiket van bedriegster gehecht aan de naam van H. P. Blavatsky, de ernstigste en meest onbaatzuchtige onder hen, die hun leven wijdden aan de geest.


HET WONDERLIJKE LEVEN VAN H. P. BLAVATSKY

Er is geen grote figuur, die zich niet enigszins bespottelijk toont. Met de geestesgave gaat steeds een lichamelijke onevenredigheid gepaard, iets belachelijks of lelijks. De oren van Lao-Tze waren onmatig lang, Socrates had een te dik hoofd, Swedenborg een reusachtige gestalte. Daarenboven is de geniale mens altijd ongeschikt voor het leven, misplaatst, hinderlijk. Hij gooit de meubelen omver, zet ieder op zijn nummer, hult zich in een bevreemdend zwijgen of spreekt met een stem, die schettert als een klaroen.

Zo verschijnt H. P. Blavatsky ook met meer afwijkingen dan zichtbare kwaliteiten. Ze wordt vroegtijdig vervaarlijk dik en ze draagt haar onvolmaakt, door ziekten geteisterd lichaam onvermoeibaar door de vijf werelddelen. Zij schuimt over van drift, is altijd in woede ontstoken, en verontwaardigd; zij verwenst en commandeert zonder ophouden, vloekt als een dragonder, rookt de hele dag in publiek en zelfs in de gewijde tempels van Indië; zij maakt herhaaldelijk haar broederlijke metgezel Olcott uit voor een ezel en stomkop. Bij de minste ziekte schrijft ze brieven, die beginnen met: „Ik schrijf u van af mijn sterfbed......" en is dezelfde dag weer genezen. Zij is somnambuul. Ze heeft zigeunerachtige neigingen. Te New-York en in Indië overkomt het haar verschillende personen te dineren te vragen op dagen, dat zij zelfs geen kop thee heeft om hun aan te bieden. Zij belooft aan iedereen, zelfs aan dienstboden, dat zij haar op zullen volgen als bezielende kracht in de Theosofische Vereniging. Zij vertrouwt zich aan de eerste de beste toe en hoewel bewerend krachtens een occulte speurzin ieders aard te doorzien, geeft zij haar vriendschap aan personen, die haar slechts opzoeken om te verraden. Na een erfenis ontvangen te hebben, koopt ze gronden in Amerika, maar ze verliest de bewijsstukken van de aankoop en vergeet zelfs in welke streken zich de gekochte terreinen bevinden. Terwijl ze in Londen de „Theosophist" beheert, sticht ze zelf een daarmee concurrerende revue en neemt er de leiding van op zich. Uit afkeer van godsdienstige huichelarij wordt ze anti-clericaal. Overal waar ze komt, maakt ze zich vijanden door haar onmacht de waarheid te verbloemen. Ze is in opstand tegen elk gezag, elk vooroordeel, elk werelds fatsoen. Ze respecteert niets, behalve de Meesters en zelfs daarover maakt ze grapjes en noemt Morya familiaar weg de generaal. Maar ze is goedhartig; zij geeft alles wat zij bezit. Zij kent als doel slechts haar zending en weet zich zelf geheel weg te cijferen om die zending te volbrengen. Ze beschouwt zich slechts als een uitdrukkingsmiddel voor meer verheven wezens, als een stem, belast hun boodschap aan te kondigen, en daaraan maakt ze heel haar leven ondergeschikt.

Het was bij het geluid van doodkisten, die dicht werden gespijkerd, dat H. P. Blavatsky ter wereld kwam. Dit geschiedde in 1831, nabij Odessa. De cholera teisterde Rusland en verscheidenen kwamen te sterven in het huis van haar vader, kolonel Hahn.

Daar zij zwak was, paste men een haastige doop toe. Gedurende die plechtigheid, waarbij de lijfeigenen en familieleden in een zaal waren verzameld, stak een brandende kaars, die door een kind werd vastgehouden, het gewaad van een priester aan. Een paniek volgde. De priester stond gedeeltelijk in vlam en daarom werd aan het kind een leven vol wisselvalligheid en strijd voorspeld. Die voorspelling werd werkelijkheid, maar niemand had toen kunnen denken, dat Helena Petrovna later haar doopkaars weer aan zou steken en, de dienst verkondigend van de innerlijke God, zoveel priesterge-waden en versiering bij nutteloos ceremonieel verbranden zou.

Zover zij, die het kind hebben gekend, in hun geheugen kunnen teruggaan, verklaren zij allen eenstemmig, dat het vroegtijdig buiten-menselijke gaven vertoonde. Onbegrijpelijke kloppingen weerklonken, als zij binnen een kamer kwam. Zij beschreef gebeurtenissen, die zich ver weg afspeelden en wier werkelijkheid bevestigd werd. De wereld rondom haar was bevolkt met schimmen en natuurgeesten, waarvan zij de vorm beschrijft en de bedoelingen doorziet. Als ze een handvol steppen-zand opneemt, aanschouwt ze oceanen uit ver verleden tijden, onderaardse plantengroei, fantastische dieren. Wanneer zij een voorbijgaande grijsaard beschouwt, ziet ze in de sfeer, die hem omringt, al de daden, die hij in vroegere levens bedreef. Een meester waakt over haar. Later zal men die kennen als Morya en op een dag, dat haar paard op hol slaat en haar ter aarde werpt, voelt ze twee onzichtbare armen, die haar ophouden en de val breken.

Die onzichtbare armen zijn van vlees; de gestalte uit haar dromen wordt levend, en als zij voor het eerst naar Londen gaat, herkent ze de bekende verschijning in een der Hindoevorsten, die deel uitmaken van een gezantschap uit Nepal. Zij spreekt met haar meester, die zij in Hydepark ontmoet en van dat ogenblik af zijn al haar daden onderworpen aan zijn bevel.

Maar, goed begrepen, geen dezer orders zal ingaan tegen het lot, dat haar is toebedeeld. Zij zal het eigen voorschrift in moeiten moeten uitwerken en de gevolgen der oorzaken dragen, die haar heftige, ordeloze natuur veroorzaken zal. Het is onder opwinding, ziekte en woede, dat haar zending zal worden volbracht, want al de boden zijn met onvolmaaktheid behept en hoe hoog men ook in de hiërarchie der wezens stijgt, men ziet, dat de meest verhevene, beste nog aan zwakheid onderhevig zijn en aan dwaling onderworpen.

Op achttienjarige leeftijd laat zij zich door haar familie uithuwelijken aan een oude generaal, maar zij ervaart reeds een onoverwinnelijke afkeer voor wat zij „het magnetisme der seksen" noemt, een afkeer, die haar het hele leven kuis zal doen blijven. Haar bejaarde echtgenoot brengt het zelfs niet tot een kus op haar vingertoppen en zij verlaat 's nachts te paard het echtelijk huis. Dan begint zij een reeks reizen zonder eind.

Na in Egypte en Syrië te hebben rondgezworven, gaat ze naar Zuid-Amerika en deelt het wilde leven der cowboys. Zy begeeft zich over de Stille Oceaan naar Indië en doet er een poging om Tibet binnen te dringen, waarvan de toegang haar door het Engels goevernement is ontzegd. Zij komt in Europa terug, weer door Egypte heen trekkend, waar zü met de oude Koptische magiër Metamon, magie heeft bestudeerd Zij raakt in vuur voor de onafhankelijkheid der volken, sluit zich aan bij de troepen van Garibaldi en loopt een ernstige wond daarbij op. Zü geneest ervan, leest de romans van Fenimore Cooper, voelt zich aangetrokken tot de Hoodhuiden en vertrekt dadelijk naar Canada om in wigwams te wonen, pylen af te schieten en scalpen te zien. Maar nadat de sqaws haar bottines hebben gestolen, waarop zij zeer gesteld was, wordt zij de Roodhuiden moe en gaat in Texas wonen onder de trappers. Ook deze verlaat ze en begeeft zich naar New-Orleans om er de geheimen der zwarte magie te doorgronden, zoals die door de Woedoes beoefend wordt. Zy leeft enige tijd onder die secte van negertovenaars, maar een droom licht haar in over het gevaar, dat zy loopt, en zij vertrekt naar Indië. Daar tracht zij opnieuw Tibet binnen te dringen; zij reist in de Himalaya, verblijft in verschillende Boeddhistische kloosters, bevriest door de sneeuw, raakt verblind door het zand, heeft honger en dorst onder de tent, waar de storm over haar heenblaast en zij bereikt Indië weer in 1857 kort voor de opstand der Sepoys. Haar occulte leidsman schrijft haar dan voor naar Europa terug te keren en zij trekt weer bij haar familie in, die zij gedurende enkele jaren verbijsteren zal door wonderen van allerlei soort. Eerst tien jaar later is de tijd voor haar werkelijk onderricht aangebroken. Al haar reizen waren niets dan een voorspel geweest. In 1867 komt zij in Indië terug en het is dan dat haar inwijding in Tibet plaats vindt.

Zij bereikt het meer Palte, dan de Kwen-Loen bergen en in die ondoorzochte streek, waar zij nooit de juiste plaats heeft willen aanduiden, vindt zij Koet Hoemi en Morya terug. Van hen ontvangt ze inlichtingen over de geheime wetenschap, die ze belast zal worden om te onthullen. Er wordt haar voorgeschreven Amerika weer te bezoeken, waar ze een man vinden moet, die zij niet kent, maar die om zijn moed, zijn trouw en zijn onbaatzuchtige liefde voor het goede uitgekozen is om met haar de spiritualistische beweging te scheppen, die bekend zal staan onder de naam van theosofische beweging.

Zij trekt door Europa, maar catastrofen staan in haar sterren geschreven; het schip, dat haar meevoert, heeft een lading buskruit in, dat springt en zij ontsnapt bijna alleen aan de ramp.

„Kent ge Kolonel Olcott?", vraagt ze dadelijk na haar aankomst in Amerika, aan allen, die zij ziet. Maar haar onderzoek duurt niet lang. In een bijeenkomst biedt een man met lange baard haar vuur aan voor een sigaret, die zij zo juist heeft gerold. Dat is kolonel Olcott. Uit die kleine vlam, die tussen hen oplicht, zal zich een groot geestelijk vuur ontwikkelen, dat nog niet is uitgeblust. De rustige Amerikaan van hoge gestalte met zijn groot hart, de ontembare Russin met haar zwaarwichtig lichaam, die door haar mediumieke gaven gedeeltelijk in het overwereldse ziet, zullen onafscheidelijke ridders worden van het ideaal. Zij zullen een soort Don Quichot-tes zijn op mars naar een hervorming der mensheid en onder de helm van hun geloof veiliger tegen wonden dan de stormkap van Mambrin, zullen ze de schrikkelijke windmolens van dwaasheid en bijgeloof bestrijden en zich niet daardoor laten omverwerpen.

De occulte kennis van H. P. Blavatsky is in de loop harer reizen aangegroeid. Zij kende alle magnetiseurs, alle geestenbezweerders, alle magiërs op aarde. Met haar buitengewone vermogens heeft ze tegelijk kwakzalvers, verstandige mensen en geleerden verblind. Men heeft geredetwist, uitleggingen gezocht, procesverbalen opgemaakt. Tegenover de opeenstapeling van feiten is ontkennen onmogelijk en als men ze ontkent, moet men bedrog veronderstellen in alle huizen, waar zij binnentreedt, medeplichtigheid van alle mensen, die ze in de vijf werelddelen ontmoet.

Men is met reden door de verschijnselen, die zij verwekte, in verbazing gebracht. Het schijnt, dat zü onder zekere omstandigheden en in zekere toestand de macht bezat door haar wil stoffelijke voorwerpen te doen ontstaan, lange brieven te schrijven zonder behulp van hand of pen en ze over afstanden te verzenden door middel van astrale kracht. Zij gaf ook een andere uitleg aan haar vermogen. Ze beweerde de macht te hebben zekere bemiddelende geesten, elementalen genoemd, tussen mens en natuur in, te doen gehoorzamen aan haar bevel en zij liet in het onzichtbare die soort magische dienaren voor haar werken.

Een kind kwam haar opzoeken in een bijna naakt vertrek. Verlangend dit een genoegen te doen, steekt ze haar hand achter een tochtschenn en haalt er een groot schaap op wielen vandaan, dat er een minuut tevoren niet was. Toen een ander kind een fluitje verlangde, nam zij drie sleutels aan een ring en sloot ze in haar hand. Als ze de hand weer opent, zün de drie sleutels veranderd in een fluitje.

Toen men gedurende een maaltijd opmerkte, dat er geen suikertang was, vervaardigde ze er een op occulte wijze, een nieuwe, wat misvormd, die het merk van haar meester droeg.

Iemand vraagt haar op zekere dag het portret van een Indisch wijze te geven, een leraar der pariah's bekend onder de naam van Tiroevalloevar, die leefde te Vyla-poer. Ze neemt een weinig potlood, maakt het zachtjes fijn op een blad papier, dat ze omkeert, en na een minuut is het portret allernauwkeurigst getekend, en de Amerikaanse portrettisten, die men het toont, verklaren, dat het een uniek werk uit technisch oogpunt is, dat geen enkel levend kunstenaar zou kunnen maken.

Een andere keer is zij bezig servetten te zomen. Kolonel Olcott ziet haar geprikkeld een trap onder de tafel geven met de woorden: „Pak je daar weg, uilskuiken". Hij vraagt wat er is. „Dat is een kleine elementaal, die mij aan mijn rok trekt", zegt H. P. Blavatsky. „Geef hem de servetten te zomen", antwoordt Olcott schertsenderwijs. Zij werpt de servetten onder tafel en een kwartier daarna, als zij ze opraapt, zijn de servetten gezoomd.

Men zou dergelijke verhalen eindeloos kunnen vervolgen.

Die verschijnselen wekken nieuwsgierigheid, winden de geesten Op. De roep van mevr. Blavatsky wordt geweldig groot. Door haar en Olcott wordt de theosofische vereniging gesticht en beiden brengen het centrum over naar Indië, naar Madras en dan naar Adyar.

H. P. Blavatsky beleeft gedurende enkele jaren de verwerkelijking van haar droom. Zij is in volle werkzaamheid. Van alle kanten komen uit Europa instem-mingsbetuigingen met het nieuwe geloof, met de theosofische ideeën, die enkel de filosofie geven van zekere Boeddhistische groepen uit Tibet. Met de Boeddhistische wijsheid verbindt zij de gedachte van ontwikkeling en vervolmaking en een uitleg van de heelalwording, die ouder is dan het Boeddhisme en van Brahmaanse oorsprong. Hoewel veel Hindoes zich tegen die gedachten verzetten, is er toch een groot aantal, dat ze met geestdrift ontvangt.

Maar de eeuwige vijanden bij al de grote stormlopen der waarheid zijn verontrust en zij haasten zich met de laaghartigste middelen aan het werk te gaan. Als men de boeken en dagbladen van dit tijdvak leest, staat men verstomd over de ontzettende opwelling van haat, verwekt door een onbaatzuchtige groep, die broederschap der mensen predikte en dienst aan de waarheid. En die haat scheen nog te vermeerderen, wyl hij zich richtte tegen een vrouw.

De fanatieke zendelingen van de Katholieke missie te Madras konden de gedachte niet verdragen, dat liefde tot de mensheid gepredikt werd door andere Europeanen dan zijzelf, uit naam van een profeet, die de hunne niet was. Zij bereidden het werk van de laster voor, waardoor de Kerk altijd onder verschillende vorm, maar onverbiddelijk allen getroffen heeft, die buiten haar ijzeren regel om een woord lieten horen van goddelijke aard. Zij betaalden een echtpaar, dat vroeger hotelkamers had verhuurd en door onvoorzichtigheid van H. P. Blavatsky als huisbewaarders te Adyar was aangesteld, en deze klaagden de stichteres van de theosofische beweging aan voor bedrog. Zij beweerden haar medeplichtigen te zijn geweest en toonden vervalste brieven, die zij hadden gefabriceerd. Volgens hen onthulden de verschijnselen van Mevr. Blavatsky slechts goochelarij; de brieven der meesters waren vervalsingen; er waren geen meesters, er was niets.

Terzelfder tijd had het Genootschap voor Psychisch Onderzoek te Londen een jonge man vol eigenwaan en zelfgenoegzaamheid, Hodgson met name, uitgezonden naar Madras om een onderzoek in te stellen naar het wezen van de door H. P. Blavatsky voortgebrachte verschijnselen. Beïnvloed door de zendelingen, door de opinie der hoge Engelse kringen, die eenparig hierin de missionarissen volgden, en ook door zijn eigen wil om alleen te geloven, wat hij uit Engeland in zijn eigen benepen brein van sceptisch burger had meegebracht, besloot hij in de loop van een lang rapport tot bedrog van Mevr. Blavatsky.

De lasteringen dezer vijanden, opgeroepen door al wat hoog staat in het domein van de geest konden niet worden vergeten. Zij schoten wortel, droegen vrucht, want onwetendheid, valse wetenschap en materialisme vonden er een voorwendsel tot twijfel in, de vreugde tot haten wat niet begrepen werd. Veel harer vrienden keerden zich van haar af en verspreidden nieuwe laster. Men gaf voor, dat zij een Russisch spion was; in Frankrijk smeedde Dr. Papus uit de lucht zonder enig bewijs de aanklacht, dat zij een deel zijner boeken had overgenomen uit manuscripten, nagelaten door een zekere baron de Palmes. De aanklacht was belachelijk en wie haar opzette, wist dat zij belachelijk was. De baron de Palmes was een Oostenrijks oud-cavallerieofficier, zeer weinig geletterd, helemaal geen filosoof, en die zijn leven lang geen enkele regel geschreven had. De haat van wie streven naar een zekere geestelijke oppermacht ontketent nog blinder woede dan het bezit van geld.

Mevr. Blavatsky vervolgde haar aanklagers niet. Zij was arm en kon de kosten niet dragen van een dure Engelse rechtspleging, en dat wisten haar vijanden zeer goed. Overigens zou zij zich niet zegevierend kunnen verantwoorden zonder bewijzen te leveren voor het werkelijk bestaan van Morya en Koet Hoemi door de plaats hunner afzondering aan te wijzen, wat zij tot geen enkele prijs wilde doen.

Uitgeput en ziek verliet zij Indië om in Europa in eenzaamheid de rust te hervinden, nodig voor het schrijven van de „Geheime Leer". In een ellendige kamer te Napels proefde ze de bitterheid haar beste bedoelingen omlaaggetrokken, haar werk verloochend, haar ideaal gehoond te zien. Maar zonder twijfel putte zij uit de innerlijke bronnen, die grote zielen kennen, de lichtende gedachte dat het geschreven woord van meer belang is dan wie belast werd het te schrijven, en dat het boek in de tijden bluft al wordt het gelaat en de naam zelfs van de schrijver weggewist. Zij stelde haar leven ten dienste aan de schepping van haar boek. Zij vergat haar vermogens, waarmee zij gewoon was bewonderaars om zich heen te verzamelen. Zij liet geen slang meer uit een handtas te voorschijn komen of schiep met een enkel gebaar in de ruimte een duizendkleurige vlinder. De laatste jaren van haar leven bracht zij door met de ogen gevestigd op de innerlijke bronnen van haar kennis. Zij weerstond de golven van haat, die de dagbladartike-len haar aandroegen of de vergiftige woorden van wie haar bezoeken kwamen brengen. Zij vervolgde zonder onderbreken haar doel, hield door de kracht van haar wil haar wankelende gezondheid op en verplichtte zich dagelijks op het papier de voren te trekken van haar geweldig werk.

Toen zij in Engeland stierf, had zy leerlingen teruggevonden en vrienden, die haar liefhadden. Zij haalde graag het woord van de Wishnoe Poerana aan: „Mededogen is de macht van de deugzame". Zij kon voortaan een stille blik werpen op haar voltooide taak. De laatste zinnen van de „Geheime Leer" waren geschreven en de theosofische vereniging had zich over de ganse wereld verbreid.

Maar zoals het een wrange, onverbiddelijke wet is dat de laster, wanneer hij handig is gevoerd, een spoor nalaat, dat niet kan worden weggewist, zo is Mevr. Bla-vatsky nooit geheel schoongewassen van de aanklacht, die tegen haar werd ingebracht. De bronnen en bewijzen voor vroegere gebeurtenissen worden spoedig onzeker. Men hoort woorden, door het publieke gerucht aangevoerd, dat gemakkelijk de rol van wereldwijsheid speelt. Met een heimelijk genoegen ademt men de reuk in van schandaal, die komt, men weet niet vanwaar. En men zegt „Wie weet? Misschien...." En zij, die het sterkst in H. P. Blavatsky hebben geloofd en zij, die de grootste troost ontvingen van haar filosofie, voelen op zeker uur een twijfel opstijgen uit eigen diepte, als een trieste nevel, die een schaduw werpt.

Er is in de volledige tekst van de Joodse geschiedschrijver Josephus, zoals die in Rusland kortgeleden werd teruggevonden, een eigenaardige plaats. Die tijdgenoot van Johannes, de Dooper en Jezus vermeldt in verband met Johannes het volgende: „Hij hechtte zich dierenhaar aan op de plaatsen, waar zijn lichaam niet was behaard".

Zo voegde de profeet aan de natuur iets toe om het ideaal, dat hij zich van een profeet maakte, te verwerkelijken. En ik denk mij, dat hij dit heimelijk deed om in de ogen zijner leerlingen een gezant te lijken, die God behaard geschapen had in tegenstelling met de weelderige gewaden der rijke Joden. Hij handelde kinderlijk zo; toch was het Johannes, die Jezus doopte.

Evenzo kan Mevr. Blavatsky, die de gave ontvangen had occulte verschijnselen voort te brengen, in de mening dat men geen echt wonderwerker is zonder gestadig wonderen te verrichten, er wellicht zelf iets met list of kunstgrepen aan hebben toegevoegd, want de verzoeking is groot het wonder te helpen, wanneer het niet komen wil, en men toch het wonder in zich draagt, het gisteren heeft verricht en morgen weer verrichten zal. Misschien gaf zij aan die verzoeking toe. Niets heeft het bewezen. Maar dit is zonder belang. Als de profeet harig wil zijn, laat hij dan harig wezen, zoveel als hij wil. Het doopwater zal er niet minder helder om zijn tussen de oevers van de Jordaan. Het scheelt mij weinig of degene, die mij een redelijke wereldverklaring brengt, een verheven filosofie, een zedeleer, die mijn hart hervormt, uit een magische gril het boek wegtovert, dat de verklaring, de filosofie en de verheven zedeleer bevat. Ik wacht, terwijl ik mijn verwondering over de vlot-heid van de goocheltoer bedwing, tot het weggetoverde boek weer te voorschijn komt en ik adem er de onthullende wijsheid uit op zonder mij te bekommeren over de wonderlijke wijze, waarop die mij aangeboden werd.


DE GEHEIME LEER

Wat de filosofie, door H. P. Blavateky geleraard, karakteriseert, is dat zij veel mensen, wien zij verklaard wordt, het schoonste wijsgerige stelsel toelijkt, het enige, dat helder en redelijk is en waarvan de kennis een aansporing geeft om zich te volmaken.

Wijzer en beter worden, niet in de gangbare betekenis, maar achtenswaardiger in eigen ogen, dat is wat, dank zij haar, aan de mensen dezer tijden werd vergund. Aan hen, die de eigenlijke waarheid in de theosofische leerstellingen hebben gevonden, is een titel toegekend zonder uiterlijk teken, een eer, die niet het respect van anderen inhoudt, maar rust verleent aan de ziel. Dezulken voelen op hun voorhoofd het mysterie minder drukkend;
ze hebben de mogelijkheid ontdekt hun eigen hel en hun eigen paradijs te scheppen; zij zien de menselijke zaken juister in, ze hebben meer medelijden erlangd.

Evenals H. P. Blavatsky niet de gift der lichamelijke schoonheid ontving, kende ze ook niet de schoonheid van de literaire vorm en het uiterlijk gelaat van haar filosofie is vol bulten en groeven; het lichaam van haar boek is chaotisch, wanstaltig, verpletterend, sekseloos zoals zij zelf. Het bevat de leringen van het esoterisch Boeddhisme, want wat men theosofie noemt, is het Boeddhisme van een school Tibetaanse intellectuelen. Het is niet de schepping van H. P. Blavatsky, en dat heeft zij ook nimmer beweerd. Zij schreef zonder behulp van één enkel boek en doet dikwyis aanhalingen uit werken, die aan bibliotheken toebehoorden, waaruit ze onmogelijk putten kon. Zij schreef, en alle getuigenissen stemmen hierin overeen, op een mediumieke wijze, naar dictee van Morya en Koet Hoemi en ook nog een andere Platonische ingewijde, die zich slechts uitdrukte in het Frans en tot een andere groep behoorde.

Het is onmogelijk zelfs in het kort de enorme massa kennis samen te vatten die „Isis ontsluierd" en de „Geheime Leer" in zich besloten houdt. Die kennis komt uit oude boeken, bewaard in de kloosters van Tibet en zij reikt ver door alle beschavingen heen tot aan de oorsprong van het menselijk geslacht. Zij is zo onverwacht verschenen en zo nieuw voor de verwaten denkers van het Westen, dat deze er de voorkeur aan hebben gegeven ze als één geheel zonder onderzoek te verwerpen. Annie Besant, Steiner, Leadbeater en anderen nog hebben zich ingespannen haar te verhelderen en aan te bieden in een vorm, die voor de meest middelmatige intelligentie toegankelijk is. Dat is niet voldoende geweest. De middelmatigen hebben evenals de hoger ontwikkelden gevonden, dat het licht te ver weg kwam uit een land, dat niet het hunne was, en te verblindend scheen. Zij hebben een lamp nodig van bekend* formaat, die alleen de nauwe kring van hun erfelijk weten, hun kleine vooroordelen en hun middelmatig ideaal verlicht.

Toch, welk een filosofie, deze die ons de verhouding van geest en materie doet begrijpen, hoe door onheugelijke tijden heen de mens zich heeft geïndividualiseerd, zich met opvolgende lichamen heeft bekleed om steeds stoffelijker te worden op de neerdalende boog der natuur en eindelijk volgens de rijzende boog weer op te klimmen, waar hij een omgekeerde taak vervullen moet, dat wil zeggen zich vergeestelijken ten einde opgenomen te worden in het Goddelijk Bewustzijn.

Deze filosofie, die ons de wet van reïncarnatie en Karma leert, is de enig verhelderende, en rechtvaardigt enigszins wat we waarnemen als een onmeedogend en onbegrijpelijk heelal. Als we inzien — en het is voor ieder mogelijk het door dagelijks opletten waar te nemen — dat wij het zelf zyn, die ons lot weven, die de oorzaken verwekken van ons geluk en lijden, als we weten zonder er aan te twijfelen, dat elke daad, tegen een ander bedreven, gericht is tegen onszelf, komt ons het inzicht, dat de wereld misschien minder onrechtvaardig is, als ze wel schijnt. En van het ogenblik af, dat we ons geplaatst vinden in een logisch geordende wereld, begrijpen we, dat het enig mogelijke gedrag gehoorzamen is aan die logica en die orde. Wij lyden niet langer door het onrecht, en beschouwen onszelf als de enige oorzaak onzer kwalen. Wij zoeken een weg om gelukkiger te worden door ons aan te sluiten bij de stroom, die ons meevoert. Wij denken er aan ons voor te bereiden voor een toekomstig leven als het te laat is om grote resultaten te bereiken in dit. Wy begrijpen, dat geluk zoals wij het opvatten, niet het belangrijkste is, en dat er een schaal van geluk bestaat, gelijk lopende met onze ontwikkeling. Het zoeken naar een hoger geluk voert ons tot het inzicht, dat in de vergeestelijking van het zijn de bron ligt van een onuitsprekelijke vreugde. Wij leren de wegen kennen, die er heen leiden, meditatie, de stilte der ziel en de verdiepte beschouwing dier innerlijke ster, schitterend in ons hart, waarvan het licht, wanneer wij het ontdekken zullen in al zijn glans, ons een zal maken met het goddelijke wezen.

Die toevloed van Oosterse wijsheid ware genoeg geweest om het Westerse denken tegen te houden op zijn materialistische weg en het te vervormen. Maar er kwam niets van terecht. De donkere schaduw, die al het nieuwe volgt, breidde zich uit over de vrouw, die deze leer der volmaking verkondigde. Het was historisch te laat, dat de Inquisitie voor haar nog een martelaarsbrandstapel kon oprichten. Zij werd noch gestenigd noch aan het kruis geslagen. De mannen van haar tijd deden haar de folteringen ondergaan van de twijfel en de verachting. De intellectuelen verwierpen de leer of bleven koppig haar negeren. Het is waar, dat het niet tegen hen was, dat zij zich richtte. De theosofie deed als alle grote geestelijke bewegingen, als het Christendom en als de leer der Albigenzen, een beroep op de grote massa der mensen. Zij werd door hen niet begrepen, en miskend. En het is een zonderling beeld, waarvan wij de blinde getuigen zijn. De boodschap is van verre en van omhoog gekomen. Zij is daar en blijft onnut voor hen, die haar ontkennen.

Wat de directe discipelen van Mevr. Blavatsky betreft, zij, die zich op haar beroepen, ze zijn buiten hun weten en door de macht hunner eigen natuur ten dele de betekenis der boodschap bij hun verklaren ontrouw geworden. Er is een wet, die wil, dat elke inwijdende beweging, tenzij ze als die der Albigenzen door totale onderdrukking de dood vindt, verdroogt, kristalliseert, harde kerksteen wordt, koud marmeren dogma. De theosofie heeft zich omkleed met die godsdienstigheid, welke haar stichteres als zo noodlottig beschouwde. Dit is begonnen met een soort christelijke verering, vrome innigheid waarmee men de Hindoesche meesters omgaf, die dit zeker niet hadden gevraagd. De voorschriften van de rechte weg veranderde in een anglicaanse preutsheid. De verheven doelstellingen van broederschap en ontwikkeling der geestelijke krachten werden veronachtzaamd ten bate van een messiasverwachting, waarover alle secten der wereld zich druk maken en die voortaan de eerste plaats bekleedde. Het Boeddhisme, waarbij zich de stichters der theosofische beweging uiterlijk hadden aangesloten, werd vervaagd en uitgewist ten behoeve van een esoterisch Christendom. Ten slotte om aan het verlangen der mensen tegemoet te komen, die behoefte voelen om onder monumenten te bidden, rituele altaren te zien en geholpen te worden door ceremoniële magie van wierook, kaarsen en gewaden hebben de vooraanstaanden onder de theosofen zich tot bisschop verklaard en onder de naam van Vrij-Katholieke Kerk weer opgericht wat H. P. Blavatsky alle moeite deed te vernietigen. Zij zijn tegen het grote woord der theosofie ingegaan, tegen de essentiële waarheid en de wet van ieder mens, waarvan Mevr. Blavatsky de verlichte aankondig-ster is geweest.

Toch zijn het woord, de waarheid en de wet niet verloren. Toen de opvolgers van Mevr. Blavatsky hun werk voorbereidden, hebben ze een jonge man, Krishnamoerti opgeleid om er het hoofd van te zijn. Maar deze heeft in plaats van zich trots te tooien met de titel van Wereld-leraar, die hem was toegekend en die drukkende, pauselijke mijter te aanvaarden, er met nog grotere trots de voorkeur aan gegeven te verklaren, dat hij de onvoorwaardelijke en volledige bezitter der waarheid was en zich te dekken met de onzichtbare mijter van de ware wijze. Het doet er weinig toe of hij al of niet die verheven staat heeft bereikt. Maar hij heeft de leringen van H. P. Blavatsky teruggenomen en op eigen wijze enkele teksten uit Shankaracharya en woorden van Boeddha omschrijvende, ze verkondigd met een vrijheid, die alleen wordt ingegeven door de jeugd.

Hij heeft herzegd, dat alle organisaties en alle kerken belemmeringen zijn, hinderpalen voor het begrip, dat de nieuwe vormen van verering en nieuwe Goden niet meer waard zijn dan de oude, dat goede bedoelingen, goede werken en zelfopoffering aan een zaak onvoldoende zijn, als men niet eerst de innerlijke sluier der onwetendheid heeft verscheurd, dat men in zichzelf alle wijsheid heeft, en het alleen door de ontwikkeling, de zuivering en de onschendbaarheid van het innerlijk ik is, dat men zich met het Absolute vereenzelvigt.


DE DROEFHEID VAN DE MEESTERS

Het is te Darjiling in het land Sikkim op de grenzen van Engels-Indië en Tibet, dat zich de geheimzinnige poort opent, die toegang verleent tot nog onbekende streken der aarde. Darjiling is een elegante badplaats op een hoogvlakte aan de voet van de Himalaya, waar de gegoede Engelse kringen uit komen rusten van het brandend hete Indische klimaat. Er zijn villa's, ambtenaren en toeristen. Niemand weet, dat de weg, die daar slingerend heentrekt en in diepe bergengten weer verzinkt, er een is, die naar een andere wereld voert, en even lang, even aloverstijgend is als de ladder van Jacob.

Langs die weg zijn de onderzoekers vertrokken, die het voorzien hebben op aardrijkskunde, fotografische opnamen voor tijdschriften, schilderachtige zedentafrelen. Wanneer die mannen van de daad weer terug zijn gekeerd, houden ze lezingen met lichtbeelden; ze vertellen hoe de stad Lhasa er uitziet, hoe de lamaserieën op de steenachtige hoogten als middeleeuwse burchten zich verheffen en welke kleur de rok van de Dalaï Lama heeft. Maar in werkelijkheid hebben zij niets gezien, niets dan een primitieve bevolking, stompzinnige monniken, die hun gebedsmolens laten draaien, niets, dat getuigt van gebed in de geest.

Hoe zouden zij die tegenwoordigheid ook kunnen bemerken? Een hoge beschaving is bij ons onafscheidelijk van stoffelijk comfort, van goede manieren, is altijd verbonden aan officiële groepen, genootschappen, universiteiten; zij geeft lezingen, zij wordt voorafgegaan door militaire muziek. Hoe te denken, dat iemand met een bruin gezicht, bijna een neger, die het lichaam verwaarloost voor de gedachte, die dikwijls om te mediteren dagen lang onbewegelijk blijft zitten in een door sneeuw geteisterde grot, over wetenschap en filosofie vollediger begrippen zou kunnen hebben dan wie ons in Europa daarvan ruimschoots voorzien.

Maar zij, die niet door geleerde en stoutmoedige onderzoekers ontmoet kunnen worden, doen zich soms kennen aan iemand met een hart van liefde vervuld.

Het gebeurt soms, dat om bij hen te komen en het woord te vernemen, dat niet geschreven wordt, een uitverkoren Hindoe of Europeaan zelfs naar Darjiling komt en de weg opgaat, die zich slingert langs de hellingen van de Himalaya. Aldus deed Damodar, een medebroeder der eerste theosofen, een Brahmaan, die zijn kaste verloor door met hen samen te leven. Er kwam een ogenblik, dat hij zich geroepen voelde. Hij moest over hoge bergen gaan. Hij hoestte veel en was zo mager, dat naar het zeggen van Mevr. Blavatsky zijn benen wel stokjes leken. Hij bereikte Darjiing en vertrok. Hij ging naar het meer Palte en de bergen Kwen-loen. Het hoofd van de dragers der karavaan, waar hij enige dagen mee samen liep, meldde, dat hij veel later zijn kleren in de sneeuw had teruggevonden. Men heeft nooit meer over hem horen spreken. Misschien, dat hij nu, gevoed met een weinig rijst en de lucht der hoge bergtoppen, gezeten op het terras van een lamaserie, zo hoog, dat de vogels er niet over heen vliegen, nauwelijks door de jaren verouderd, de gelukzaligheid geniet van een, die alle dingen liefheeft. Misschien ook is hij reeds lang stof op de bodem van een stenen ravijn.

H. P. Blavatsky zei, dat in 1897 een occulte poort zich zou sluiten. Zonder twijfel bevond zich de eerste trede tot die poort te Darjiling en wist ze dat tegen die tijd zij, die haar hadden onderricht, na het graan over de wereld te hebben uitgeworpen, op zouden houden zich te bekreunen over de wijze, waarop het ontkiemde. De meesters staan niet meer achter de theosofische beweging. Er komt geen brief meer op Chinees rijstpapier buiten bemiddeling van post of brievenbestellers om, zoals dit de eerste discipelen overkwam. Een ernstig gelaat onder een tulband verlicht geen enkele slapeloze nacht. Die vorm van het wonderbare, die enige bevoorrechten gedurende enkele jaren ontegenzeggelijk hebben gekend, is van uit 's levens mogelijkheden verdwenen.

Tussen de hoogten der Kwen-loen bergen, in een dal, met pijnbomen beplant, staan twee huizen met een dak in Burmaanse stijl tegenover elkander, weerszijds het dal. Het zijn de woningen van Morya en Koet Hoemi. Daartussen onder vooroverhellend geboomte loopt een smalle, heldere beek, waarover een primitieve brug zich welvend verheft. Koet Hoemi woont met zijn zuster en hij heeft voor dienstbare vrienden een oude Tibetaan met zijn vrouw. Morya woont alleen en stijgt elke morgen te paard. Zij zijn nu 50 jaar ouder dan toen hun leerling Blavatsky terug ging naar de wereld, maar de levensduur van een wijze is minstens drie maal zo lang als die van de onverstandige mens).

Wanneer zij elkander opzoeken bij de kleine brug over het beekwater en samen onder de pijnbomen gaan, moeten zij zich soms hun vroegere poging wel herinneren om de weg te wijzen aan wie die niet kenden. Ik vermoed, dat zij ondanks hun mensenkennis zich nog wel verwonderen moeten, hoe weinig zij zijn geslaagd. Wanneer zij geen enkele bitterheid voelen bij de herinnering hoe hun naam werd gehoond, met vette letters gedrukt in de dagbladen der zendelingen en voor velen eensluidend met mystificatie was geworden, moeten ten minste zij zich bekennen, dat hun poging al te vroegtijdig is geweest. Zeker, men kan niet wanhopen aan de mensheid, vooral niet, wanneer men een hoge graad van ontwikkeling heeft bereikt en geleerd de grenzen van de tijd terug te doen wijken. Maar zij, die krachtens hun gave van helderziendheid een blik kunnen werpen op onze steden, onze machines, onze hartstochten en zelf-zuchtigheden, moeten zich verheugen in hun grenzeloze eenzaamheid en de afstand, die ons van hen scheidt; zij moeten zich wel bekennen zeer onvoorzichtig te zijn geweest om enige jaren geleden hun bestaan te onthullen aan sommige Engelsen, die goedwillend misschien, maar tamelijk bekrompen waren. Zich gelukwensend met de dwaasheid, die doet twijfelen aan hun bestaan, moeten zij met voldoening de hoogte der Himalaya-toppen meten en de onveranderlijke structuur hunner gletschers. Zij moeten erkennen, dat het zeer gelukkig is, wanneer een onbegrijpelijke macht de Tibetaanse grond van de zoogenaamd beschaafde wereld heeft willen afzonderen om hen te vergunnen de zeldzame bloem te verzorgen van het begrip. In die onmetelijke sombere wolk, die voor hen de rest dezer wereld vormt, bemerken zij als trillende schijnsels, als lampjes, die nauwelijks nog aangestoken zijn, de intelligenties van mensen, die ontwaken en hun oudere broeders roepen.

Wat zijn die lichten weinig talrijk en wat werpen zij weinig schijnsel! Wat zijn de mensen traag in hun ontwikkeling! Wat een boden zullen eeuw op eeuw nog moeten vertrekken, zelf onvolmaakt en in gevaar zelf in de duisternis terug te zinken! En misschien dat, denkende aan zoveel traagheid, zoveel pogingen, zoveel kwaad, de ogen der wyzen, vol van licht, zich verduisteren zullen.


Terug