|

De
els
Door:
Col
© Copyright: Col, 2000
bomen@boudicca.de
Door de auteur aan Boudicca's Bard ter publicatie aangeboden
Familie: Betulaceae
Frans: Aune
Duits: Erle
Engels: Alder
Rune: fearn
Zwarte
Els, Alnus glutinosa
Symboliek
Weelde,
zelfverwezenlijking in de Wereld, bevrediging, voltooiing, maar staat ook voor moed
en de ontwikkelde geest.
Tarotkaart: het pad van de Wereld
God: Bran. Bran the Blessed die een belangrijke
rol speelt bij Ostara.
Godin:
Machtsdieren: Bij, havik, rode vos, ram, hengst
Mensen
die onder dit teken geboren zijn hebben een sterke wil, ze zijn moedig en banen
graag zelf hun weg door het leven. Ze wekken vaak grote loyaliteit op in mensen
en al hebben ze die 'erkenning' wel nodig, als het er op aan komt doen ze het meeste
toch liever zelf. Het zijn moedige personen die niet snel opgeven, echte avonturiers.
Botanie
Elzen
worden middel hoge bomen die rond de 15 meter hoog kunnen worden. Er zijn enkele
ondersoorten bekend die wel hoger dan 25 meter kunnen worden. Deze soorten zijn
onder andere te vinden aan de rand van de Veluwe. In West Nederland worden de Elzen
doorgaans niet hoger dan 6 a 8 meter, ook hier is sprake van een ondersoort.
Kenmerkend
voor elzen zijn de elzenproppen die een heel jaar aan de boom blijven hangen. Ze
lijken wel wat op kleine Dennenappels.
Elzen
zijn middelgrote bomen die vaak een meerstammige groeiwijze hebben. Het zijn typisch
bomen van de waterkant. Dit heeft te maken met de natuurlijke verspreiding van het
zaad.
De
zaden drijven op het water en worden zo verspreid langs de hele waterloop. Eenden
nemen onbewust zaden mee aan hun veren wanneer ze zich naar ander water begeven.
De zaden kiemen onder zeer natte omstandigheden (grens water / land) De wortels
bevatten net als bij Vlinderbloemige stikstofknolletjes. De boom leeft in symbiose
met een schimmel die de boom van stikstof voorziet. Van dit stikstof profiteren
ook andere planten. De Els fungeert daardoor als pioniersoort. In tegenstelling
tot populieren en Wilgen kan de Els niet tegen periodes onderwater staan waardoor
maar weinig Elzen te vinden zijn in het uiterwaardengebied van de grote rivieren.
Beekoevers zijn de meest natuurlijke standplaats voor elzen. Zeker als het water
op bepaalde plaatsen stil komt te staan zodat veenvorming ontstaat. Op Elzen kom
je altijd het Elzenkevertje tegen. De zwarte larven van dit blauwe kevertje kunnen
een ware plaagvormen en de Elzen helemaal kaal vreten. Echter groeien de Elzen het
hele seizoen door waardoor ze snel weer nieuw blad hebben.
Pas
gezaagd Elzenhout heeft een kenmerkende oranje kleur.
In
februari / maart is de Zwarte Els is een opvallende katjes-drager. Die katjes lijken
heel sterk op de katjes van de Hazelaar, die tegelijkertijd bloeit. Beide planten
horen dan ook tot dezelfde familie: de Berken-familie (de Berk bloeit wat later).
Els en Hazelaar zijn gemakkelijk uit elkaar te houden, ook wanneer ze nog niet in
blad staan. De Els is een boom, de Hazelaar een (vaak grote) struik. De Els is echter
vooral te herkennen aan de Elzenproppen. Dat zijn de vrouwelijke bloeiwijzen, die
in het najaar uitgroeien tot een soort eivormige kegeltjes. In het voorjaar zitten
ze nog aan de plant, samen met de manlijke katjes, en, als je goed kijkt, de nú
bloeiende vrouwelijke katjes, heel klein nog, met kleine rode stampertjes (ook op
de foto te zien). Die zullen dus in het najaar tot Elzenproppen zijn uitgegroeid.
De Hazelaar heeft vanzelfsprekend niet zulke proppen, want die heeft... hazelnoten.
En die zijn (dat snap je) in het voorjaar allang verdwenen.
De
meeste planten hebben tweeslachtige bloemen. Dat wil zeggen, elke bloem heeft meeldraden
(manlijke geslachtsorganen) en stampers (vrouwelijk, groeit later uit tot de vrucht).
Els en Hazelaar (in feite de hele Berken-familie) vormen dus een uitzondering, met
hun aparte vrouwelijke en manlijke (eenslachtige) bloemen. Omdat beide typen bloem
wel aan één plant zitten, noemen we hem éénhuizig. Bij
b.v. de Wilgen-familie zitten de manlijke en vrouwelijke katjes aan verschillende
planten: daar heb je dus afzonderlijke manlijke en vrouwelijke (eenslachtige) planten.
Dat heet tweehuizig.
De
bloemen van Els en Hazelaar lijken primitief, want ze bestaan uit niet veel meer
dan enkele meeldraden, ofwel een stamper. Maar in feite is dit een specialisatie.
Mooie kleuren hebben deze bloemen niet nodig, want er hoeven geen insecten gelokt
te worden voor de bestuiving. Die zijn er ook weinig, zo vroeg in het voorjaar.
De katjes-dragers hebben zich toegelegd op wind-bestuiving. Ze produceren gewoon
zo'n enorme hoeveelheid stuifmeel, dat er altijd wel wat op een stampertje van een
andere plant terecht komt. Ook voor de verpreiding van het zaad later in het jaar,
vertrouwen Els en Berk op de wind. De Hazelaar is hier de uitzondering met zijn
noten, en mede om die reden wordt hij soms ook wel eens tot een aparte familie gerekend
(juist: de Hazelaar-familie).
Er
zijn in onze contreien twee veel voorkomende soorten, de Virides of Alpenels die
5 m hoog wordt of de tot 20 m hoog wordende Glutinosa of zwarte els. Beide komen
echter ook als struik voor. Het blad van de Alpenels is 6 cm lang, elliptisch van
vorm en scherp dubbel getand. Katjes verschijnen bij deze boom tegelijk met de bladeren.
Als ze rijp zijn worden de mannelijke katjes 5-12 cm lang, en hebben een gele kleur.
De vrouwelijke katjes zijn 1 cm lang, eerst groen en, later rood verkleurend, in
slanke gesteelde bundels van 3 tot 5 stuks. De vruchtdragende katjes worden later
ietwat zwart. De nootjes hebben brede vliezige vleugels. De Alpenels bloeit in april.
De
bladen van de zwarte els zijn ronder met een stompe, iets ingesneden top 4 tot 10
cm lang. Bij deze soort verschijnen de katjes voor de blaadjes. Mannelijke katjes
worden 2-3 cm lang en staan in paren met zijn drieën bijeen. In de winter krijgen
ze een paarse schijn. De vrouwelijke katjes zijn half zolang, gesteeld, eerst paarsrood
en later groen verkleurend. Ze komen in trosjes van 3 tot 8 voor. Vruchtdragende
katjes zijn donkerbruin en blijven hangen tot het volgende voorjaar. De nootjes
zijn in tegenstelling tot de Alpenels smal gevleugeld. De zwarte els wordt veelal
aan waterkanten en op moerassige plaatsen in geheel Europa aangetroffen en bloeit
van februari tot maart. Het hout van deze boom laat zich niet gemakkelijk bewerken.
Het breekt en rot snel. Merkwaardig is echter dat de zwarte els, indien het hout
1 constant onder water staat, dit ook inderdaad zwart en tegelijk zeer hard en sterk
wordt (zoals eikenhout).
De
Els doet aan windbestuiving, de bloeiwijze met het mannelijke geslacht zijn opvallende
lange katjes. De vrouwelijke bloeiwijze is nauwelijks opvallen en is niet veel meer
dan een zwat knopje met wat rode uitsteeksels (de stampers)
Gebruik
Geneeskracht
Geneeskundig blijkt de Els een paar
werkzame bestanddelen te hebben. In de schors en het loof zitten looistoffen (schors
9%) en antrachionen.
Algemeen: herstellend en rustgevend.
Ze
worden toegepast tegen koorts en verkoudheden. Het gekneusde blad is een goede remedie
ter verzachting van tepelkloofjes bij zogende moeders.
In
de oude volksgeneeskunde werden gedroogde elzenknopjes gebruikt als goed werkend
middel tegen reuma. Dit is het recept:
Twee
theelepels knopjes (plukken voor de blaadjes verschijnen), overgieten met kokend
water, even laten trekken. Drink zo twee kopjes per dag.
Dit
drankje kan ook gebruikt worden als mondwater tegen ontstoken tandvlees.
Voor
zere en vermoeide voeten is een bad van bladeren aanbevelenswaardig, preventief
hiervoor is ook blad in de schoen.
Voeding,
brandbaarheid en ander praktisch gebruik
Vroeger
werd fijngemalen binnenkant van de bast van de zwarte els gebruikt in tandpasta.
Ook
werd er inkt van gemaakt.
Omdat
de Els niet zo snel rotte in water werden er boten, bruggen, melkvaten e.d. van
gemaakt.
Middeleeuwse
kathedralen, het Rialto in Venetië, wegen door moerassen en venen werden gestut
door elzenstammen.
Als
verfstof zeer goed bruikbaar:
Vers
groen hout levert een roze/beige kleurstof op, de katjes groen, jonge loten geel
en de schors een roodbruine kleurstof. Keltische krijgers verfden zich met de els
rood.
Van
groene elzentakken werden fluitjes gemaakt, de bast wordt voorzichtig losgetikt
mert behulp van een wilgentak, dit om de godin van de wind gunstig te stemmen.
Magisch gebruik,
mythen en legenden
De
Els is door de geschiedenis heen een 'bijzonder magische' boom geweest. Het werd
als misdaad beschouwd deze boom om te zagen, omdat de boze 'boomgeest' dan uit woede
huizen zou platbranden. Degene die dat deed was de veroorzaker van onrust in de
gemeenschap.
Het
is een vuurboom, die de aarde beschermt tegen of bevrijdt van het water. Ook vandaag
is de els populair als wichelroede, om er bijvoorbeeld ondergrondse wateraders mee
op te sporen.
De
3 generaties katjes kunnen gezien worden als symbool voor de 3 voudige godin. (oud,
huidig en toekomstig).
Als
de Germanen iets over de toekomst wilden weten namen ze elzentwijgjes, en lieten
deze door een priester op een doek gooien. In het patroon, dat de stokjes op het
doek vormden, lazen ze betekenissen af: de runen waren geboren.
In
de middeleeuwen wordt de Els de boom die als geen ander met boze heksen in verband
wordt gebracht. De ribben van een heks zouden van elzentwijgen gemaakt zijn. Geschenken
die heksen op kwade dagen aan de mensen gaven, bleken later veranderd te zijn in
elzenbladeren.
Een
elzentak gestoken in de laatste korenschoof verzekert weer de vruchtbaarheid voor
het volgende seizoen.
De
Els staat in het jaar in de periode van de lente equinox, symbool het evenwicht,
tussen individu en gemeenschap.
(Persoonlijke)
gedichten, gebeurtenissen en verhalen
Het
gedicht van de Erlkönig, de elzenkoning.
Erlkönig
Johann
Wolfgang v. Goethe (1749 - 1832)
Wer reitet so spät durch Nacht und Wind?
Es ist der Vater mit seinem Kind:
Er hat den Knaben wohl in dem Arm,
Er faßt ihn sicher, er hält ihn warm.
Mein
Sohn, was birgst du so bang dein Gesicht? --
Siehst, Vater, du den Erlkönig nicht?
Den Erlenkönig mit Kron' und Schweif? --
Mein Sohn, es ist ein Nebelstreif.
"Du
liebes Kind, komm, geh mit mir!
Gar schöne Spiele spiel' ich mit dir;
Manch bunte Blumen sind an dem Strand,
Meine Mutter hat manch gülden Gewand."
Mein
Vater, mein Vater, und hörest du nicht,
Was Erlenkönig mir leise verspricht? --
Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind:
In dürren Blättern säuselt der Wind.
"Willst,
feiner Knabe, du mit mir gehn?
Meine Töchter sollen dich warten schön;
Meine Töchter führen den nächtlichen Reihn,
Ung weigen und tanzen und singen dich ein."
Mein
Vater, mein Vater, und siehst du nicht dort
Erlkönigs Töchter am düstern Ort? --
Mein Sohn, mein Sohn, ich seh' es genau:
Es scheinen die alten Weiden so grau.
"Ich
liebe dich, mich reizt deine schöne Gestalt;
Und bist du nicht willig, so brauch' ich Gewalt."
Mein Vater, mein Vater, jetzt faßt er mich an!
Erlkönig hat mir ein Leids getan! --
Den
Vater grauset's, er reitet geschwind,
Er hält in Armen das ächzende Kind,
Erreicht den Hof mit Mühe und Not;
In seinen Armen das Kind war tot.
|
Terug
|