Over Freyja weet Snorri Sturleson, de schrijver van
de Vroegere Edda, ons te vertellen dat zij "de meest bekende van de
godinnen” is en dat “liefdesliederen haar plezieren en dat het goed is om haar
aan te roepen voor hulp in de liefde"(vertaling: Jean Young).
We weten dat ze vele geliefden heeft gehad; Loki deelt ons mede dat
ieder van de Aesir en Elven, die aanwezig zijn voor een heilig feest, haar als
hun "hor" (geliefde) heeft gehad, onder wie hij haar eigen broer
Freyr (Lokasenna 30) rekent. En ook de dwergen hebben haar affectie ondergaan
(Fornaldarsaga I, 391). Maar, ondanks alles, van haar wordt gezegd dat ze maar
één echtgenoot heeft gehad:
"Freyja is net zo voornaam als Frigg. Ze is getrouwd met een man genaamd
Od; hun dochter is Hnoss; ze is zo mooi dat wat ook mooi en kostbaar is ook een
“schat" (hnoss) genoemd wordt. Odr vertrok op lange reizen en Freyja
weende voor hem en haar tranen waren rood goud. Freyja heeft vele namen en de
reden hiervoor was dat ze zichzelf verschillende gaf toen ze op zoek naar Od
ging onder volkeren die ze niet kende. Ze wordt Mardoll, Horn, Gefn en Syr
genoemd". (Vertaling: Jean Young)
Er is veel wetenschappelijke speculatie geweest dat Odr simpelweg een bijnaam
van Odin zelf zou zijn en dat Freyja een bijnaam van Frigg kan zijn, maar
Snorri geeft ons geen enkele aanwijzing voor dat. Hij maakt duidelijk
onderscheid tussen Frigg en Freyja en noemt Odr, vreemd genoemd “manni”, een
man, in plaats van een god.
Moeten we geloven dat de “meest bekende godin", de schutsvrouwe van de
liefde zelf gehuwd is met een onbekende man – een mythisch onbeduidend iemand –
en dat de traditie niet het verhaal van hun romantische relatie heeft bewaard?
Natuurlijk wel. Het was één van de meest populaire van de oude heidense mythen,
het verhaal van hoe een sterfelijke het hart van de mooiste godin veroverde, en
dus moet het sporen in de literatuur hebben achtergelaten. Het moderne
commentaar op de mythologie probeert ons te doen geloven dat de mythe
betreffende Freyja en Odr voor ons verloren is gegaan, maar dat is gelukkig
niet het geval. Het raamwerk van dat verhaal kan nog steeds worden
teruggewonnen uit documenten die tot in onze tijd bewaard zijn gebleven.
Gedurende ons onderzoek zullen we scherp kijken naar de histories van de Deense
schrijver Saxo Grammaticus, wiens tekst een voorloper is van de IJslandse
mythograficus Snorri Sturleson, en bovendien naar twee obscure gedichten uit de
Edda, jammer genoeg over het hoofd gezien en vaak niet opgenomen in moderne
vertalingen van Oud Noorse gedichten; het zijn Groagaldr en Fjolvinsmal. Uit de
bronnen, aangevuld met verspreide poëtische referenties, kunnen we hopen om het
epische verhaal terug te winnen van de grootste mythische romance uit de tijd van
de Vikingen – Het liefdesverhaal van Freyja en Odr.
Deel 1:
Eerste contact
Een aantal vreemde passages lijken erop te wijzen dat Freyja, en ook haar broer
Freyr, ooit gevangen werden gehouden door de giganten. Hoewel het erg bekend is dat Freyja een object van begeerte was onder het
ras van de giganten, bevatten de bekende mythen geen verhaal waarin Freyja ooit
in de handen van de giganten gevallen, maar toch schijnen de skalden aan zo’n
mythe te refereren:
1. Voluspa 25
hverir hefdi loft allt Wie had alle lucht
laevi blandit vermengd
met kwaad?
eda aett jotuns of
aan de Jotuns
Ods mey gefna Od’s
vrouw gegeven?
2. Skaldskaparmal 66:
Heyri sonr a, Syrar, Harald’s zoon, ware vriend,
sannreynis, fentanna Geef
me je oor en luister:
orr greppa laetk uppi Ik bezing de gist-stroom
jast-Rin, Haralds, mina. van Syr's besneeuwde monsters
(greppar).
3. Skaldskaparmal 14.
Tha er utrost Toen
Earl’s vijand
jarla bagi de buitengrenzen
Belja dolgs Van
Beli’s hater
byggja vildi wilde bewonen
(De Oud Noorse verzen zijn uit Gudni Jonsson's Eddu Kvaedi en Eddu Snorra,
1954/Engelse vertaling: Benjamin Thorpe en Arthur Broedur)
De bovenstaande referenties bevatten waardevolle informatie met betrekking tot
deze voorheen onbekende mythische situatie:
1. Freyja werd ooit aan de giganten “gegeven. Ze wordt hier geïdentificeerd als "Od's vrouw" en dus kan Odr een
directe verbinding met deze mythe hebben.
2. De skald Kormak noemt dichtkunst "jast-Rin" van "Syrar
greppar." Gudbrand Vigfusson definieert "jast-Rin," letterlijk
vertaald "yeast-Rijn," als dichtkunst. In dit geval is dichtkunst de
“gist-stroom” van Syr’s sneeuwbedekte "greppar."
Sveinbjorn Egilsson definieert "greppar" als
"jaettekvindens", ofwel vrouwelijke giganten, en Gudbrand Vigfusson
als "een vreemd creatuur, een monster" met referentie naar “een
gigant". Dus: Syr, een bekende bijnaam van Freyja is verbonden met een
groep dichters, aangeduid met de meervoudsnaam Grep, die op hetzelfde moment
“met sneeuw bedekte monsters” zijn.
3. Van Freyr, wiens echte woonplek Alfheim is (Grimnismal 5), wordt gezegd dat
ze een “utrost”, een verafgelegen land bewoont. We bezitten een direct parallel
met de aanduiding van een land als "£trost", buitengrens, met de naam
"Utgard," Buitenplaats, een plaats waar Thor de machtige gigant
Utgard-Loki en zijn gigantische onderdanen tegenkomt. In dit afgelegen land
wordt Freyjr aangeduid als "Belis dolgr" een vijand van Beli, de
wolvenhuiler. Deze bijnaam suggereert dat Beli in nauwe verbinding staat met
het verblijf van Freyr in dit verafgelegen grensgebied. Net zoals de mythe van
Freyr en Beli voor ons verloren is gegaan, is het echter een bekende bijnaam
van Freyr, waardoor ook deze mythe ooit erg bekend moet zijn geweest.
Twee verhalen, bewaard gebleven door de Deense historicus Saxo Grammaticus
(gestorven omstreeks 1205 AD), van wie algemeen wordt erkend dat hij zijn
inspiratie voor de eerste negen boeken van zijn historie van Denemarken heeft
verkregen van het voor hem beschikbare mythische materiaal, verhelderen deze
anders zo obscure poëtische referenties.
Zij zijn het verhaal van Frodi en zijn mooie zuster Gunvara, die de boer Erik
huwt in Boek V van Saxo's Historica Danica, en het verhaal van Otharus en
Syritha, wiens namen die van de Oud Noorse Odr en Syr aanduiden, in Book VII.
Samen bewaren de twee verhalen de herinnering van de gevangenhouding van Freyr
en Freyja's onder de giganten, en hoe Freyja in het bijzonder werd gered door
de sterveling Odr, ook Erik genoemd, en hoe ze zijn bruid werd. Voor sommigen
is Saxo Grammaticus een onwaarschijnlijke bron van Germaanse Mythologie, en
laten we daarom eerst maar eens de aard van Saxo’s histories onderzoeken, zodat
we kunnen vaststellen dat hij waarde als bron helder is.
In de recente vertaling van Saxo's Histories, getiteld Saxo Grammaticus, The
History of the Danes Books I-IX" vertaald door Peter Fisher (1996), geeft
de beroemde Oud Noorse geleerde Hilda Ellis als commentaar:
"De eerste negen boeken, hier gepresenteerd in de vertaling van Peter
Fisher, worden door velen beschouwd als niets meer dan een samenraapsel van
oeroude legenden, toespraken uit heroïsche gedichten, selecties uit IJslandse
sagen, gerationaliseerde mythen, stukjes Deense folklore, referenties naar
stambomen, echo’s van Latijnse geschiedschrijvers en flarden van … goedgekeurde
schrijvers, die in de overzichten van universiteiten van de vroege middeleeuwen
voorkwamen."
Ze zegt dat Saxo "zeker aan het experimenteren was met Latijnse metrums en
poëtische vormen in de verzen, die voorkomen in verscheidene van de vroegere
boeken, deze staat opnieuw erg dicht bij de IJslandse dichtkunst, zoals deze in
de Edda bewaard is gebleven en in de legendarische saga’s, zelfs als het metrum
daarvan erg afwijkt." Ze concludeert dat “algemeen wordt aangenomen dat er
weinig van historische waarde in de eerste negen boeken staat, maar dat Saxo’s
werk niets van de talentvolle, fantasierijke presentatie van de oude mythen
bezit, zoals dat wordt aangetroffen in het werk van zijn bijna tijdgenoot Snorri
Sturluson, alhoewel beiden gebruik hebben gemaakt van veel van hetzelfde
materieel." Ze geeft echter wel toe dat de verhalen van Saxo een
“schatkist” is van Oud Noordse mythologie en dat “veel van zijn verhalen,
schijnbaar stammend uit IJsland of Noorwegen, nergens anders bewaard zijn
gebleven, en die welke ook worden aangetroffen in de IJslandse sagen kunnen
vroeger zijn, een eeuw of meer, dan de IJslandse bronnen in hun huidige
vorm."
Dus: het is duidelijk dat Saxo putte uit mythisch materiaal dat vrijwel een
volledige eeuw ouder is dan Snorri Sturluson, die net zoals hijzelf, een
Christen was die de verhalen over de Noordelijke goden vertaalde naar de
“geschiedenissen” van oeroude koningen. In de werken van Saxo, net zoals in de
welke van Snorri Sturluson, zijn de Oud Noorse goden vaak herkenbaar, alhoewel
in tegenstelling tot Snorri, verhult Saxo hen vaker wel dan niet onder obscure
namen en het behoeft een zorgvuldig onderzoek om hun ware identiteit te
onthullen.
Met betrekking tot de verloren gewaarde mythe van Freyr en Freyja's
gevangenhouding onder de giganten gaan we beginnen ons onderzoek met het
verhaal van Frodi en zijn zuster Gunvara onder de loep te nemen dat bewaard is
gebleven in Boek V van Saxo Grammaticus' Danish History.
In het begin van Boek V, introduceert Saxo de jonge koning Frodi, zoon van
Fridlief, in wie we de jonge Freyr kunnen herkennen: "Na de dood van
Fridleif, nam de zeven jaar oude zoon Frodi zijn troon over naar aanleiding van
de gemeenschappelijke wens van het Deense volk." Behalve de jonge koning
treffen we ook zijn zuster Gunvara aan, “wiens ongeëvenaarde schoonheid haar de
titel van “de Schone” had opgeleverd"
”De koning is echter te jong om te regeren en de regering wordt waargenomen
door voogden, genaamd Vestmar en Koli, die de opdracht hadden gekregen om
leiding te geven aan de koninklijke opvoeding."
Saxo meldt dat "Vestmar twaalf zonen had, waarvan drie een gewone naam
Grep hadden gekregen. Zij werden tegelijkertijd verwekt en werden ook op
hetzelfde moment geboren, waardoor het feit dat ze dezelfde naam hadden ook het
bewijs was van hun gelijktijdige oorsprong." De jongste van de drie is ook
een beetje een dichter en Saxo merkt op dat hij “al zijn tegenstanders niet
overwint met slim taalgebruik, maar door hen te tiranniseren met een
voortdurende stroom van brutale praat" (112). Door de wijze waarop deze
dingen worden beschreven wordt het al snel duidelijk dat zij niet menselijk
zijn. Saxo geeft hen alle karakteristieken van dieren. Later in het hoofdstuk
beschrijft hij hen als "het uiten van bloedstollen kreten als waren het
huilende wolven" (115). De wet van de gastvrijheid, zo heilig onder de
Germaanse volkeren, was voor hen onbelangrijk; Saxo zegt dat in hun midden
werden “gasten en vreemdelingen met belediging verwelkomd in plaats van een
vriendelijke begroeting, zo vaak kwamen minachtende provocaties voor onder deze
obscene en brutale groep." Hun onderdanen kwamen er niet veel beter vanaf:
"Sommigen werden hoog opgehesen aan lange touwen en dan werden ze heen en
weer geslingerd alsof ze met een bal aan het spelen waren; ze legden
kinder-velletjes voor de voeten van anderen en wanneer ze uit balans raakten op
het gladde oppervlak dan trokken ze plotseling aan verborgen touwen en lieten
ze opzettelijk onverwacht struikelen, terwijl anderen van hun kleding werden
ontdaan en zweepslagen kregen met martelende klappen; op sommigen werden
nep-opknopingen uitgevoerd door hen een strop om te doen van nagels; van
sommigen werd hun baard en haar in de fik gestoken met fakkels; van andere
mannen werden de genitaliën en het schaamhaar geschroeid. Vreemdelingen werden
in elkaar geslagen met beenderen of gedwongen dronken gevoerd met grote
hoeveelheden drank totdat ze barstten."
En hun seksuele lusten namen groteske proporties aan:
"Toen Vestmar en Koli's zonen opgroeiden tot jong-volwassenen werden ze
heet-bloedig, hun zelfvertrouwen veranderde in aanmatigendheid en ze onteerden
hun karakter door vuile, degenererende praktijken. Hun gedragingen waren zo
buitensporig en onbeheerst dat ze de vrouwen en dochters van andere mannen
lastig vielen; het leek alsof ze kuisheid buiten de wet hadden gezet en het in
een bordeel hadden geplaatst. Ze hielden het niet bij getrouwde vrouwen alleen,
maar onteerden ook de bedden van maagden. Geen enkel echtelijk bed was veilig
voor hen; er was nauwelijks een plaats in het land te vinden die gevrijwaard
was voor hun uitingen van lust."
Gunvara de Schone lijkt hierop de enige uitzondering. Er werd veel zorg besteed
om te verzekeren dat ze niet onteerd werd. Saxo vertelt ons dat ze zichzelf
opsloot in een gebouw dat versterkt was met aarden wallen, met dertig bedienden
die haar constant in de gaten hielden. Het is duidelijk dat de jonge koning
Frodi en zijn knappe zuster zich niet in menselijk gezelschap bevonden. Hoewel
Saxi deze gebeurtenissen laat afspelen in zijn geboorteland Denemarken, heeft
hij waarschijnlijk hun gevangenhouders
gemodelleerd naar mythologische giganten die in Jotunheim in het verre oosten
woonden. Hij getroost zich veel moeite om te beschrijven hoe Frodi en Gunvara
geïsoleerd waren hun landgenoten. Van Frodi zegt hij:
"(Grep) besloot dat het privilege om de koning te ontmoeten slechts
verkregen zou worden door middel van omkoping en verordonneerde dat niemand een
onderhoud zou krijgen tenzij hij eerst geschenken had aangeboden. Hij kondigde
ook aan dat de audiëntie tot zo’n machtige leider niet over een figuurlijk
versleten pad zou moeten gaan, maar slechts kon worden verkregen door middel
een vreselijk vlijtige wijze van werving omdat hij dacht dat deze gesimuleerde
affectie voor zijn monarch zijn barbaarse reputatie zou doen verminderen. Het
volk, ten einde raad, kon slechts hun onderdrukking met stille kreunen
beklagen." (108)
Het koninkrijk zelf werd beschermd tegen een invasie vanuit zee door de macht
de een tovenaar, die als een schildwacht optrad en op de uitkijk stond voor
ieder schip dat richting Denemarken voer. Zijn naam was Oddi en Saxo vertelt
ons dat "hij een man was die
hooggeleerd was in de magische kunsten, die de volle zee kon afschuimen zonder
boot en vaak vijandige schepen deed kapseizen door stormen te veroorzaken door
zijn toverspreuken." (128)
Dat hij “zonder een boot” over de zeeën kon reizen kan een mythologische
verklaring hebben in het feit dat de giganten een paar keer zijn afgebeeld als
wadend in de oceaan, en een vrouwelijke gigant minimaal één keer in het midden
van een rivier stond waardoor deze overstroomde.
Symbolisch kunnen deze giganten de stormen op zee voorstellen. Herinner ook dat Aegir en Ran, die over de
grote westelijke oceaan regeren tot de giganten-clan behoren. In de mythologie
is Jotunheim, huis van de giganten, afgezonderd van de werelden van de mensen
en de goden door de mythische rivier de Elivagar, waarvan de giganten pogen de goden
te verhouden om over te steken.
Net zoals de meeste mythische zaken heeft de
Elivagar vele namen. Bij één gebeurtenis wordt het aangeduid als Gandvik, de
Magische Baai (Thorsdrapa 2). Het is waarschijnlijk dat de vroege heidenen deze
rivier beschouwden als vol van bovennatuurlijke stormen. Van Oddi zegt Saxo dat
hij het gezichtsvermogen van de vijand kon verduisteren met de kracht van zijn
toverformules."(128)
Het is alsof Frodi en zijn zuster Gunvara de gevangen zijn van de mythische
Jotuns, die duidelijk geen enkele genegenheid voor hen voelen behalve dan
dierlijke seksuele begeerte voor Gunvara. Hun merkwaardige omstandigheden
herinneren ons onmiddellijk aan de situatie van Freyr, zoals aangeduide door de
oud Noorse skald. Net zoals Freyr woont de jonge Frodi in een
"utrost", een buitengrens, een plek afgesneden van de mensheid. Een
episode in Saxo’s verhaal versterkt de identificatie van Frodi en Gunvara als
Freyr en Freyja: het is het huwelijk van de jonge Frodi met de dochter van de koning
van de Hunnen.
Zoals we weten uit het Eddaïsche gedicht For Skirnis, kwijnde de god Freyr ooit
weg als gevolg van zijn liefde voor de stralende vrouwelijke gigant Gerd. De
vader van Freyr, Njord, stuurde de Freyr's vrienden uit zijn kinderjaren
Skirnir om de vrouwelijke gigant het hof te maken, maar ze verachtte openlijk
de jonge oogst-god. Uiteindelijk overtuigde Skirnir haar ervan om het voorstel
aan te nemen en ze ging ermee akkoord om Freyr negen nachten later te
ontmoeten. Saxo vertelt op zijn gebruikelijke manier deze mythe als
geschiedenis. In Boek V van zijn History dat de jonge koning Frodi zich
gedwongen voelt om de dochter van de Koning van de Hunnen het hof te maken. Hij
stuurt Gotvara en haar zonen de Greps, samen met haar echtgenoot Vestmar, als ambassadeurs
naar de Hunnen. Frodi koopt haar diensten door een kostbare halsketting.
Gotvara vergezelt haar echtgenoot en haar twee zonen om de vrouwe het hof te
maken, die net zoals Gerd, openlijk haar minnaar afwijst. En net zoals Gerd
wordt zij overreed om de jonge koning te huwen.
Hoewel het waar is dat beide verhalen slechts op elkaar lijken, is het
veelbetekenend dat de vrouw van Frodi, net zoals die van Freyr afkomstig is uit
het verre oosten. In de mythologie is Gerd een bewoner van Jotunheim dat ten
oosten van Midgard is gelegen, terwijl in het verhaal van Saxo de vrouw van
Frodi een dochter van de Koning van de Hunnen is.
De Hunnen zijn een woest historisch volk die ten oosten van de Germaanse
stammen woonden; dus in dit verhaal en ook elders in de eerste negen boeken van
Saxo's History, stellen de Hunnen uiteraard de mythische Jotuns voor. Herinner
ook dat de skald, die Freyr in een “utrost” plaatste hem als “Beli’s vijand”
aanwees. De naam Beli, hetgeen (wolven)huiler betekent, suggereert duidelijk
een gigant, wat ons onmiddellijk doet denken aan de manier waarop de
gevangenhouders van Frodi Erik en Roller begroetten: "met bloedstollende
kreten als huilende wolven."
In de mythologie brengt Skirnir kostbare schatten om de bruid om te kopen – elf
gouden appels, de ring Draupnir en het fantastische zwaard van Freyr – terwijl
in Saxo’s verhaal Frodi de afgezanten zelf met een kostbare halsketting moet
omkopen. Als Frodi Freyr zou zijn en zijn knappe zuster Gunvara Freyja zou
zijn, dan zou een halsketting een logische keus voor Saxo zijn, omdat Freyja
één van de meest waardevolle van vrouwelijke ornamenten draagt, Brisingsamen.
Saxo beschrijft dit ornament in detail, en hier kan de enige beschrijving
bewaard zijn gebleven van Freyja’s halsketting:
"De koning begreep dat omkoping noodzakelijk was en bood een gold
halsketting aan als het honorarium voor de afgevaardigde. Deze halsketting had
gegraveerde knoppen die aan elkaar vastgezet waren en miniaturen van
vorstelijke personen daartussen gezet, die naar elkaar toe van elkaar worden
getrokken door aan een daarin zittende draad te trekken; meer een luxe speeltje
dan een nuttig artikel". (105)
Saxo's verhaal van de gevangenschap van Frodi en Gunvara onder de Grep broers
verheldert ook de skaldische referentie dat dichtkunst "de gist-stroom van
Syr’s sneeuw-bedekte monsters (greppar). In het verhaal van Saxo probeert de
oudste van de Greps liefde te bedrijven met de zuster van de koning, Gunvara,
en neemt vervolgens wraak omdat hij afgewezen was door het recht te eisen om
haar vele aanbidders te beoordelen. Hij hakt hun hoofden af en stelt ze tentoon
voor haar kamers zodat alle nieuwkomers ze kunnen zien. Vanuit deze vreselijke
gevangenschap wordt Gunvara de Schone, waarin we de jonge Freyja herkennen,
gered door een man van eenvoudige afkomst genaamd Erik.
Hij gaat ermee akkoord om bij het gezelschap van
Frodi en Gunvara te komen, maar alleen nadat zijn broer Roller, "een goede
reiziger en een onderzoeker van het ongebruikelijke, zwoer om het kameraadschap
van Frodi te verwerven" (128). Nadat de moeder van Roller, -- Erik's
stiefmoeder – die een bovennatuurlijke kracht bezat omdat ze in zich een
heilige kracht uitoefende, en op een bepaalde manier een metgezel van de goden
was" (130) hem uitgerust had met beschermende krachten, zijn ze de
schildwachtende tovenaar en zijn mannen te slim af, verdrinken hem en zorgen er
op die manier voor dat, door deze stoetmoedige en gevaarlijke actie, zijn reputatie hem vooruit snelt in het
koninkrijk van Frodi.
Wanneer hij daar eenmaal is wordt Erik ontmoet hij
de oudste Grep, die Erik verlaat in een oorlog van woorden. Verbaal ten schande
gemaakt en verslagen, roept Grep de hulp in van tovenaars om de naderbij
komende Erik en Roller te hinderen. Maar Erik is voorzichtig en overwint
eenvoudig een slecht voorteken die op zijn pad is neergelegd. Erik en Roller
worden snel toegelaten tot Frodi, op datzelfde ogenblik de “bloestollende
kreten als huilende wolven", alsmede meer wrede trucks en bedriegerij. Op
een feest die avond ontmoet Erik voor de eerste keer de zuster van de koning,
Gunvara de Schone. Als ze hem een drankje aanbiedt uit een grote kan, neemt hij
die kan en haar uitgestoken hand en zegt:
"Was je vrijgevigheid, nobele heerseres, van plan dit als een cadeau aan
mij te geven. Ben je het met me eens dat wat ik nu vast heb mag houden als een
permanent geschenk?" De koning dacht dat met ‘het geschenk’ hij alleen
maar de kan bedoelde en gaf toe, maar Erik trok toen het meisje naar hem toe
alsof ze in de gift was opgenomen geweest."
Erik hervat het verslaan van de familie van de giganten die de koning en zijn
zuster bewaken. Hij doodt eerst de Greps, dan hun vader Vestmar, vervolgens hun
moeder Gotvara en herwint ondertussen ook nog een “indrukwekkende halsketting”, die in deze context niets
anders kan zijn dan de kostbare Brisingsamen. Na verloop van tijd trouwt Erik
met Gunvara en keert met haar terug naar zijn geboorteland Noorwegen.
De aanwezigheid van de drie Greps maken het zeker dat deze Gunvara, de knapste
van alle vrouwen, Freyja is, aan wie de skald Kormak refereerde als de
"Syr van de Greps." Het feit dat ze zo vaardig met woorden waren verklaart uiteraard zijn kennis van
dichtkunst die de “gist-stroom van Syr’s Greps” is.
Kormak noemt de Greps als “sneeuw-bedekt"
daarmee verder de suggestie wekkend dat ze giganten zijn. De aanwezigheid van
een opmerkelijke belangwekkende halsketting in het verhaal verhoogt de
waarschijnlijkheid van deze identificatie. Dus kan de broer van Gunvara alleen
maar de Noorse god Freyr zijn, zoals zijn huwelijk met de dochter van de Koning
van de Hunnen, een rechtstreekse parallel met Freyr eigen huwelijk, suggereert.
Met de hulp van de skalden lijkt het erop dat we over het eerste contact tussen
Freyja en “de man genaamd Odr” gestruikeld zijn.
In Boek VII voorziet Saxo ons van meer informatie met betrekking tot Freyja en
Odr. Hier treffen we het verhaal van Otharus en Syritha aan, waarin we
onmiddellijk de nauwelijks verhulde Othar, Oud Noors voor Odr, en Syr, een
bekende bijnaam van Freyja, aan. In dit verhaal is Syritha ontvoerd door een
gigant en Otharus poogt haar te bevrijden. Gelukkig zijn de details die Saxo
hier verstrekt minder van een historische aard maar meer van een mythologische,
hetgeen lijkt aan te geven dat dit verhaal dichten bij de daadwerkelijke mythe
staat dan het voorgaande verhaal over Gunvara en Erik. Over Syritha's oordeel
wordt gezegd:
"Er was een gigant die dezelfde bedoelingen had (het meisje het hof
maken), maar toen hij ontdekte dat zijn pogingen net zo ineffectief waren kocht
hij een vrouw om teneinde voor een tijdje de bewaker van de vrouwe te worden en
zo haar vriendschap te winnen.
Uiteindelijk verzon ze een sluw excuus om het paleis te verlaten en lokte
Syritha verre van het huis van haar vader. Kort daarop kwam de gigant op haar
afstormen en nam haar mee naar een smal hol op een bergrichel. Sommigen hebben
het vermoeden dat hij een vrouwelijke vorm aannam, waardoor hij in staat was
geweest het meisje listig weg te lokken en uiteindelijk haar kidnapper werd."
(226)
Dit bevestigt de verklaring in Voluspa 25 die zegt dat Freyja, "Od's
vrouw" was "gegeven aan het ras der giganten." Onmiddellijk
herinnert dit verhaal ons aan hoe Loki Idunn weg lokte uit Asgard en in de
handen van de gigant Thjazi.
Terwijl ik niet de suggestie wil wekken dat dit Saxo’s vertelling is van
hetzelfde verhaal, wil ik wel degelijk de indruk wekken dat in dit geval de
dader ook Loki geweest kan zijn. Saxo lijkt onzeker te zijn of Syritha uit haar
woning gelokt was door een dienares die samenspande met een gigant dan wel door
de gigant zelf, vermomd in een vrouwelijke vorm. Mythologisch gezien past Loki
het best in deze beschrijving. Hij is een gigant en van hem is bekend dat hij
meer dan eens de vorm van een vrouw had aangenomen. Hij heeft zelfs kinderen
gebaard en heeft in ieder geval een keer eerder een godin uit Asgard gelokt en
in de handen van de giganten. Het gebruik van het woord “lopt” in Voluspa 25
lijkt dit vermoeden te bevestigen. Moderne commentatoren, zoals Ursula Dronke,
zien in dit vers ook de daden van Loki aanwezig (hoewel ze de bedoeling anders
interpreteren). Van dit couplet zegt Dronke:
"Wie had de goden naar deze pas gebracht? Ze zochten rondom naar een
dader. De dichter geeft een paar hele kleine aanwijzingen om de antwoorden op
hun vragen te geven. De dader was, zoals altijd, hun verlosser. Als de lucht –
lopt – gemengd werd met vernieling - laevi blandit – wie anders kon daarvoor
verantwoordelijk zijn dan Loptr zelf, Loki inn laevisi, kenner van rampspoed,
expert in het vermengen van het kwade met het goede van de goden, of het nu hun
honingdrank is - blend ek theim sva meini mjod (Lokasenna 3) – of hun
lucht."
Saxo beschrijft Syritha dat ze in een ongebruikelijke staat is, hij vertelt ons
dat “het creatuur tijdens het schenken van zijn aandacht haar haar in een
stevige knot naar achteren had gebonden waardoor de krullen in een vervlechte
massa was, zodanig dat niemand dat kon ontwarren" en dat haar ogen star
voor zicht uitkeken - "toen een grote massa aanbidders om haar heen
draaide als gevolg van haar schoonheid, kon zij niet worden bewogen om naar
iemand hen te kijken." Deze details zijn waarschijnlijk van mythologisch
belang.
Het haar van een vruchtbaarheids godin, zoals Freyja was, kan best wel zelf
gezien zijn als een vruchtbaarheids symbool. Van de mythe over het haar van Sif
wordt gezegd dat ze goudblond haar had dat Loki afsneed. Sif's echtgenoot,
Thor, dwingt Loki om het gouden haar van zijn vrouw te herstellen en onder
dwang doet Loki dat. Op een symbolisch niveau stelt het haar van Sif de
goudkleurige graanvelden voor, die iedere oogst worden afgesneden, om
vervolgens weer opnieuw te groeien.
Freyja's haar kan eenzelfde betekenis hebben gehad. We worden verteld dat de
gigant het in de war maakte en het in een harde massa tegen haar hoofd drukte.
Wanneer we erkennen dat de giganten de krachten van de vorst vertegenwoordigen
dan is het waarschijnlijk dat de verwarde massa haar op het hoofd van een
vruchtbaarheids godin het leven van planten kan voortstellen, verwrongen en
bevroren onder de sneeuwjachten. Dit kan ook verhelderd werken op de bijnaam
van Freyja, Horn, omdat de horens van beesten slechts geharde massa’s haar
zijn.
De starende blik van Syritha’s is waarschijnlijk een oorspronkelijk onderdeel
van de mythe van Freyja. We vinden een bepaalde bevestiging van dat idee in het
gedicht Fjolvinsmal. Daar komt een held genaamd Svipdag naar een goed versterkt
kasteel over zijn gedoemde bruid Menglad op te eisen.
Wanneer hij arriveert is zij in een droomachtige toestand en zit ze op een
verhoging omringd door bedienden. In strofe 35 vraagt Svipdag "Hoe wordt
die berg genoemd waarop ik de prachtige bruid
"thruma" zie zitten? thruma betekent "rustig blijven". En dat blijft zo totdat de poortwachter haar
aanroept om Svipdag te ontmoeten met wie ze al verloofd is. In strofe 42
informeert Fjolsvidr, de poortwachter hem dat "Er geen enkele man is die
in de zachte armen van Manglad mag slapen, behalve Skipdag; hij is met de
zon-heldere vrouwe verloofd om zijn vrouw te worden", en in strofe 46
verlangt ze van hem "dat ze een aandenken wil hebben als bewijs dat ze met
hem verloofd is." De dichter vertelt ons dat Menglad een godin is en één
van de belangrijkste. Acht bedienden zitten aan haar voeten, wat aantoont dat
ze aan haar ondergeschikt zijn. Onder hen is Eir, de godin van genezing en een
bediende van Frigg (Gylfaginning 35). Svipdag herkent hen als godinnen en
vraagt: "Geven ze wat je wilt als het noodzakelijk is wanneer je ze aanbidt?" (strofe 40) en hem wordt
verteld dat "Als ze ieder zomer op hun altaar offerandes krijgen dan kan
er niets gebeuren dat zo vreselijk is dat deze vrouwen hen daar niet tegen
kunnen beschermen." Menglad is duidelijk een godin met een voorliefde voor
vrouwen en aan wie andere godinnen ondergeschikt zijn.
De naam Menglad zelf betekent "Plezier hebben aan ornamenten" of
letterlijk “in halsketting gekleed". En het is zeker passend als een
bijnaam voor de bezitter van Brisingsa-men, de allerbeste van de vrouwelijke
ornamenten, en de moeder van de godin Hnoss (schat) en Gersemi (juweel). Al in
1835 identificeerde de Duitse mytholoog Jakob Grimm haar met Freyja (Deutsche
Mythologi, Vol 4, hoofdstuk 26). Moderne commentatoren, zoals Kevin
Crossley-Holland, hebben hetzelfde gesuggereerd. (Zie het commentaar over Mythe
23 in de appendix van The Norse Myths, 1980).
Niets in het gedicht wordt bij zijn normale naam genoemd, maar de dichter
voorziet ons van slimmer aanwijzingen waardoor we weten waarover hij spreekt.
De dichter informeert ons subtiel dat dit kasteel Asgard zelf is. De
portwachter heet Fjolsvidr, een bijnaam van Odin volgens Grimnismal 47. Zijn
waakhonden worden Gifr en Geri genoemd, terwijl die van Odin Geri en Freki
genoemd worden (Grimnismal 19). Deze honden voeren hun taken uit samen met elf
bewoners van de citadel die “vardir” (wachters) genoemd worden, een woord dat
gebruikt wordt om de goden aan te duiden.
Heimdall wordt zelf "vordr goda" (de hoeder van de goden) genoemd, en
Hyndluljod 29 informeert ons dat de Aesir uit hun elven bestaan na de dood van
Balder. Deze elf bewakers blijven op hun hoede "totdat de krachten
vergaan" (strofe 15) en de muren van het kasteel zullen net zo lang
blijven staan “als de wereld zal blijven bestaan" (strofe 15). Binnenin de
citadel ziet Svipdag de takken van “de Mimir’s Boom, wiens takken alle landen
schaduw geven". Er kan geen twijfel over bestaan dat dit Asgard is. Het is
echter treurig dat dit gedicht algemeen wordt geïnterpreteerd als het verhaal
van een menselijke held die een vrouwelijk gigant het hof maakt en wordt
daardoor ook vaak niet opgenomen in de moderne vertalingen van de Poëtische
Edda. In werkelijkheid is dit de laatste episode in de saga van de hofmakerij
en huwelijk van Freyja en de man die Odr genoemd wordt.
Menglad in het gedicht Fjolsvinsmal zit stilletjes totdat haar geliefde voor
haar komt, terwijl in Saxo’s verhaal Syritha zelfs niet bewogen kan worden om
naar Otharus te kijken Saxo verklaart dat door te zeggen dat ze simpelweg zedig
en koppig is, maar in mythologische termen lijkt het erop dat Freyja onder
invloed stond van een soort betovering was waardoor ze voor zich uit staarde,
en net zoals in een sprookje, deze kon alleen maar worden verbroken door een
kus uit echte liefde. Odr is ontmoedigd
in zijn poging om haar van de giganten te redden als ze zelfs niet laat merken
dat hij er is. Allereerst doodt Otharus, die haar kidnapte en haar wegvoerde,
maar al snel vindt dat ze ondankbaar is wanneer hij er niet is slaagt haar
genegenheid te winnen. Omdat hij “het meisje niet uit lust wil gebruiken"
(226), “verlaat hij haar in het land van de giganten. Zonder doel rondzwervend
bereikt ze het huis van een vrouwelijke gigant waar ze tot taak krijgt geiten
te verzorgen. Otharus keert terug en bevrijdt haar opnieuw, maar hij voelt zich
gefrustreerd in zijn pogingen om verandering te brengen in haar bewegingsloze
blik en keert daarop terug naar zijn manschappen en zeilt naar huis. Hij laat
Syritha achter om wederom alleen in het land der giganten rond te zwerven. Dan
gebeurt er iets opmerkelijks.
Terwijl Syritha alleen in bergachtig terrein zwerft vindt ze per ongeluk de weg
naar het huis van Otharus voordat hijzelf dat doet. Toen ze elkaar verlieten
zette Otharus zeil naar huis, terwijl Syritha werd achtergelaten. Dat ze te
voet nog eerder bij zijn huis kon aankomen dan hijzelf is uiterst opmerkelijk.
Peter Fisher vertaalt dit gedeelte van de tekst van Saxo als “Nadat Syritha
lang en ver had rondgezworven over het rotsachtige landschap, kwam ze bij
toeval bij het huis van Ebbi's (Otharus' vader), waar ze, beschaamd over haar
hulpeloze en hulpbehoevende toestand, voordeed alsof ze een kind van armelui
was.”
Hier laat de vertaling van Fisher ons in de steek. Daarom moeten we ons wenden
naar een andere, meer exacte vertaling om de bedoeling achter deze vreemde
passage te ontwaren, eentje die ook door Fisher wordt onderschreven. De moderne
vertaling van Peter Fisher is zeer goed leesbaar en dat zou ook moeten gezien
de bedoeling van de vertaling die “leesbaarheid, zover dat mogelijk is terwijl
tevens de bedoeling en toonzetting (van Saxo) behouden blijft”. Maar, zo merkt
hij op, Saxo’s Latijn heeft vaak de neiging “verwrongen en zich herhalend te
zijn, waardoor lange zinnen vaak moeten worden opgebroken in twee of drie
Engelse zinnen”. Fisher vertaalt ook obscure woorden en zinnen in een meer
exact dictum, maar daardoor tevens soms de opzettelijke dubbelzinnigheid
verliezend die juist Saxo’s historische vertellingen van puur mythologische
gebeurtenissen maskeren. Met andere woorden: Fisher heeft de neiging te kiezen
voor een exacte beschrijving waar Saxo juist opzettelijk dubbelzinnig wilde
zijn. Saxo had soms problemen hoe hij mythische gebeurtenissen in realistische
historische termen moest beschrijven. Op dit moment is er slechts één andere
Engelse vertaling geweest en dat is die van Oliver Elton. Peter Fisher maakte
zelf gebruik van Elton’s vertaling toen hij zijn eigen voorbereidde en in de
introductie van de tekst van Fisher merkt Hilda Davison op dat de Engelse
uitgave van Oliver Elton een “onmisbaar werk is waaraan studenten van Noorse
literatuur veel dank verschuldigd zijn." Daarom heb ik er in dit geval
voor gekozen om naar de tekst van Elton te verwijzen in de hoop dat het enig
licht kan laten schijnen op deze opmerkelijke gebeurtenis.
Elton vertaalt dezelfde bovenstaande passage ietwat anders. Merk ook op dat hij
ervoor gekozen heeft om Syritha als het Oud Noorse Sigrid te vertalen, hetgeen
geen verder geen invloed heeft op de tekst:
Sigrid, net zoals altijd, rende ver weg over de rotsen, en kwam per ongeluk op
haar zwerftochten bij het huis van Ebb; waar, zich schamend voor haar naaktheid
en ellende, ze zich voordeed als een dochter van armelui.
De uitdrukking "net zoals altijd" “rende ze over de rotsen" is
opmerkelijk. Viktor Rydberg, in de Engelse vertaling van Rasmus Anderson heeft
eenzelfde uitdrukking gebruikt, "op een wijze zoals soms in de oudheid
gebeurde, spoedde ze zich ver weg over de rotsen." Het lijkt erop dat Saxo
hier duidt op iets obscuurs dat hij niet op een historische manier kan
uitleggen. Maar een ding is zeker: Syritha spoedde ver weg over de bergen en
sneller dan Otharus per schip naar huis terug kon keren. Het was alsof ze vloog, en misschien deed ze
dat ook wel, wanneer we ons herinneren dat Freyja een kostuum van valken-veren
bezat waarmee ze kon vliegen. Loki gebruikte het zelf twee maal toen hijzelf
naar het land van de giganten reisde. Eén keer naar Geirrod en één keer naar
Thrym. En iedere keer wordt daar specifiek bijverteld dat het aan Freyja toebehoort.
En dus is het hier waarschijnlijk dat Syritha, de “historische” Freyja haar
valken-vermomming aannam en naar het huis van Otharus vloog, de man die
voorbestemd was om haar echtgenoot te worden.
Eenmaal daar wordt de moeder van Otharus (waarvan ik vermoed dat ze eigenlijk
zijn stiefmoeder is omdat we weten dat Odr’s moeder Groa hiervoor al was
gestorven) gewaar dat Syritha, als gevolg van haar gelaatstrekken en houding,
van nobele afkomst moet zijn en verwelkomt haar in haar huis als een nobele gast.
Terugkomend herkent Otharus haar onmiddellijk, maar kan nog steeds niets
anderen aan haar teneergeslagen ogen.
Saxo zegt dat ze haar gezicht in haar jurk
verstopte. Toen hij dat zag probeerde Otharus had liefde op de proef te stellen
en bereidt een nephuwelijk voor met één van de meisjes uit zijn huishouding
hopend dat hij daardoor de jalousie van Syritha zal opwekken. Syritha wordt tot
bruidsmeisje benoemd en wordt gevraagd om de route naar de bruidskamer te
verlichten. Ze vertoont geen enkele emotionele reactie totdat de kaars opbrandt
en zij haar hand schroeit. De vlammen doen haar geen pijn, maar wanneer Otharus
haar hand pakt, kijken ze elkaar in de ogen en de vloek is verbroken. Zoals
Saxo zegt: “onmiddellijk wordt het nephuwelijk een echte en zij betrad het bed
in de huwelijksnacht als zijn bruid. Symbolisch gezien verbreekt het vuur de
vloek die over haar is uitgesproken door de ijs-giganten.
Hoewel Saxo ons vertelt dat Otharus en Syritha "het bed in de
huwelijksnacht betraden" is het waarschijnlijk dat ze kuis bleef. Eerder
benadrukte Saxo dat Syritha kuis bleef terwijl ze in het land van de giganten
verbleef en na haar huwelijk, zo zegt Saxo, maakte haar vader Sivald, die in
deze context alleen maar Njord kan zijn, bezwaar tegen het huwelijk. Omdat we
Freyja, als de mooie Menglad, stilletjes in Asgard zittend aantreffen terwijl
ze op haar echtgenoot wacht, is het waarschijnlijk dat Freyja opnieuw is
weggevoerd, mogelijk door haar vader voordat het huwelijk geconsumeerd was. De
episode in Fjolsvinsmal completeert het verhaal op een natuurlijke manier. Daar wordt ons verteld dat, voordat Svipdag (Odr) Asgard binnen mag komen, hij
een zwaard mee moet nemen, dat gevaarlijk voor de goden is. De zoektocht
daarnaar vormt een ander belangrijk onderdeel van zijn verhaal. Dat ze elkaar
eerder hebben ontmoet wordt duidelijk gemaakt door de woorden van Menglad, die
zegt: "Nu is gebeurd was ik gehoopt had, dat jij, lieve jeugdige, opnieuw
naar mijn hal komt." (strofe 50). Het begin van het gedicht geeft aan dat
Svipdag daar niet eerder is geweest en dus moeten zij en haar verloofde elkaar
hebben ontmoet terwijl ze ergens anders dan in Asgard waren.
Ten slotte, laat mij stellen dat de verhalen van Gunvara, Syritha en Menglad,
zoals opgetekend in Saxo Gramaticus' History en in de Edda, als puzzelstukjes
in elkaar passen en zodoende een complete sage vormen die tot onderwerp heeft
de eerste ontmoeting van Freyja en de man genaamd Odr. Ontdaan van alle details
zijn de kernpunten van deze belangrijke mythe:
Gedurende de periode dat de oorspronkelijk artiesten de vijanden van de goden
werden, toen Loki de zonen van Ivaldi opzette tegen de dwergen Brokk en Sindri,
voelden de Zonen van Ivaldi zich beledigd en verlieten kwaad het gezelschap van
de goden. Dit voorspelde niet veel goeds voor de jonge vruchtbaarheids god
Frey, die werd opgevoed in Alfheim, waar de Zonen van Ivaldi woonden. Zij
leveren hun jonge pupil uit aan de machten van de bevriezing. Op dezelfde
manier wordt Freyjr’s zuster, Freyja weggelokt uit Asgard en in de handen van
de giganten. Daar blijven ze in gevangenschap, waarschijnlijk onder invloed van
magie welke hun in een koude en droomachtige staat houdt, totdat ze bevrijd
kunnen worden.
Redding komt, ironisch genoeg, uit dezelfde hoek die hen had verraden, namelijk
de elven.De vrouw van Ivaldi’s zoon Egil, zendt haar zoon Ull (Saxo's Roller)
en haar stiefzoon Odr erop uit om de vruchtbaarheidsgoden te redden. Odr heeft
niet veel zin om te gaan, maar na het ontvangen van beschermingsliederen van
zijn overleden moeder, de beroemde tovenares Groa, die ooit probeerde een stuk
wetsteen uit het hoofd van Thor te toveren, stemt Odr erin toe om te gaan.
Odr and Ull staat een gevaarlijke reis over de Elivagar wachten en na vele
problemen komen in de entourage van de gevangengehouden Freyr en Freyja. De
giganten hebben een nep hofhouding opgericht met Freyr en Freyja als hun koning
en koningin. De giganten proberen in het bijzonder Freyja te onteren, maar om
de een of andere reden blijft ze puur. Ull en Odr bevrijden hen uiteidnelijk en
doden de giganten.
Odr en Freyja zwerven alleen in het land der giganten. Waarschijnlijk ging Freyr met Ull mee terug,
maar dit is onzeker. Odr laat Freyja echter alleen achter omdat ze niet kan
worden bewogen om naar hem te kijken. Hij neemt aan dat zij dit opzettelijk
doet, laat haar achter in Jotunheim en gaat op weg naar huis. Wonderlijk genoeg
bereikt zij zijn huis eerder dan hijzelf. Daar arrangeert hij een nephuwelijk
om haar ware gevoelens te testen. Gedurende de ceremonie verzwakt vuur de
toverspreuk waar zij onder verkeert en hun blikken kruisen. Freyja en Odr
treden vervolgens in het huwelijk.
Freyja keert naar Asgard terug, nog steeds onder invloed van de vloek. Ze wacht
met smart op de terugkomst van Odr. Het gedicht Fjolsvinsmal suggereert dat hij
een gevaarlijk zwaard moet zien te bemachtigen, gesmeed door de Zonen van
Ivaldi met het oogmerk om de goden te vernietigen en het naar Asgard moet
brengen als de prijs die hij voor zijn bruid moet betalen. Andere gedichten uit
de Edda bevestigen deze informatie. Het zwaard met hem meevoerend naar Asgard,
gaan de poorten vanzelf voor hem open en Freyja rent op haar geliefde toe. Ze
uit haar wens om voor altijd in voorspoed met hem verder te leven, naar
ongelukkigerwijze, het lot beslist anders.
In het volgende deel van deze serie zal ik de sage van de zoektocht van Odr
naar het zwaard verder onderzoeken en tevens onderzoeken wat de mythen hebben
te zeggen over Odr en zijn karakter. In de derde en laatste aflevering zal ik de
mythe reconstrueren over hoe Freyja en Odr van elkaar gescheiden werden en hoe
Freyja over de hele wereld zwierf om hem terug te vinden, onderwijl traden van
goud huilend.