Freyja en Odr
Een liefdesverhaal

 

De eerste van een serie artikelen waarin de verloren mythe van Freyja’s echtgenoot wordt beschreven, gebaseerd op onderzoek van Viktor Rydberg

 

William P. Reaves
©Copyright oorspronkelijke tekst:
William P. Reaves
Door de auteur ter publicatie aan boudicca's Bard aangeboden
.

Nederlandse vertaling:
Fred (
fred@boudicca.de) 2003.
Het copyright van deze nederlandstalige tekst ligt bij Boudicca's Bard.

 

Over Freyja weet Snorri Sturleson, de schrijver van de Vroegere Edda, ons te vertellen dat zij "de meest bekende van de godinnen” is en dat “liefdesliederen haar plezieren en dat het goed is om haar aan te roepen voor hulp in de liefde"(vertaling: Jean Young).
We weten dat ze vele geliefden heeft gehad; Loki deelt ons mede dat ieder van de Aesir en Elven, die aanwezig zijn voor een heilig feest, haar als hun "hor" (geliefde) heeft gehad, onder wie hij haar eigen broer Freyr (Lokasenna 30) rekent. En ook de dwergen hebben haar affectie ondergaan (Fornaldarsaga I, 391). Maar, ondanks alles, van haar wordt gezegd dat ze maar één echtgenoot heeft gehad:

"Freyja is net zo voornaam als Frigg. Ze is getrouwd met een man genaamd Od; hun dochter is Hnoss; ze is zo mooi dat wat ook mooi en kostbaar is ook een “schat" (hnoss) genoemd wordt. Odr vertrok op lange reizen en Freyja weende voor hem en haar tranen waren rood goud. Freyja heeft vele namen en de reden hiervoor was dat ze zichzelf verschillende gaf toen ze op zoek naar Od ging onder volkeren die ze niet kende. Ze wordt Mardoll, Horn, Gefn en Syr genoemd". (Vertaling: Jean Young)

Er is veel wetenschappelijke speculatie geweest dat Odr simpelweg een bijnaam van Odin zelf zou zijn en dat Freyja een bijnaam van Frigg kan zijn, maar Snorri geeft ons geen enkele aanwijzing voor dat. Hij maakt duidelijk onderscheid tussen Frigg en Freyja en noemt Odr, vreemd genoemd “manni”, een man, in plaats van een god.

Moeten we geloven dat de “meest bekende godin", de schutsvrouwe van de liefde zelf gehuwd is met een onbekende man – een mythisch onbeduidend iemand – en dat de traditie niet het verhaal van hun romantische relatie heeft bewaard? Natuurlijk wel. Het was één van de meest populaire van de oude heidense mythen, het verhaal van hoe een sterfelijke het hart van de mooiste godin veroverde, en dus moet het sporen in de literatuur hebben achtergelaten. Het moderne commentaar op de mythologie probeert ons te doen geloven dat de mythe betreffende Freyja en Odr voor ons verloren is gegaan, maar dat is gelukkig niet het geval. Het raamwerk van dat verhaal kan nog steeds worden teruggewonnen uit documenten die tot in onze tijd bewaard zijn gebleven.

Gedurende ons onderzoek zullen we scherp kijken naar de histories van de Deense schrijver Saxo Grammaticus, wiens tekst een voorloper is van de IJslandse mythograficus Snorri Sturleson, en bovendien naar twee obscure gedichten uit de Edda, jammer genoeg over het hoofd gezien en vaak niet opgenomen in moderne vertalingen van Oud Noorse gedichten; het zijn Groagaldr en Fjolvinsmal. Uit de bronnen, aangevuld met verspreide poëtische referenties, kunnen we hopen om het epische verhaal terug te winnen van de grootste mythische romance uit de tijd van de Vikingen – Het liefdesverhaal van Freyja en Odr.

 

Deel 1: Eerste contact

Een aantal vreemde passages lijken erop te wijzen dat Freyja, en ook haar broer Freyr, ooit gevangen werden gehouden door de giganten
. Hoewel het erg bekend is dat Freyja een object van begeerte was onder het ras van de giganten, bevatten de bekende mythen geen verhaal waarin Freyja ooit in de handen van de giganten gevallen, maar toch schijnen de skalden aan zo’n mythe te refereren:

1.
Voluspa 25

hverir hefdi loft allt
                              Wie had alle lucht
laevi blandit
                                         vermengd met kwaad?
eda aett jotuns
                                    of aan de Jotuns
Ods mey gefna
                                    Od’s vrouw gegeven?

2. Skaldskaparmal 66:

Heyri sonr a, Syrar,
                          Harald’s zoon, ware vriend,
sannreynis, fentanna
                                  Geef me je oor en luister:
orr greppa laetk uppi
                            Ik bezing de gist-stroom
jast-Rin, Haralds, mina.
            van Syr's besneeuwde monsters
(greppar).

3. Skaldskaparmal 14.

Tha er utrost
                                       Toen Earl’s vijand 
jarla bagi
                                             de buitengrenzen
Belja dolgs
                                            Van Beli’s hater

byggja vildi                                           wilde bewonen

(De Oud Noorse verzen zijn uit Gudni Jonsson's Eddu Kvaedi en Eddu Snorra, 1954/Engelse vertaling: Benjamin Thorpe en Arthur Broedur)

De bovenstaande referenties bevatten waardevolle informatie met betrekking tot deze voorheen onbekende mythische situatie:

1.
Freyja werd ooit aan de giganten “gegeven. Ze wordt hier geïdentificeerd als "Od's vrouw" en dus kan Odr een directe verbinding met deze mythe hebben.
2. De skald Kormak noemt dichtkunst "jast-Rin" van "Syrar greppar." Gudbrand Vigfusson definieert "jast-Rin," letterlijk vertaald "yeast-Rijn," als dichtkunst. In dit geval is dichtkunst de “gist-stroom” van Syr’s sneeuwbedekte "greppar."
Sveinbjorn Egilsson definieert "greppar" als "jaettekvindens", ofwel vrouwelijke giganten, en Gudbrand Vigfusson als "een vreemd creatuur, een monster" met referentie naar “een gigant". Dus: Syr, een bekende bijnaam van Freyja is verbonden met een groep dichters, aangeduid met de meervoudsnaam Grep, die op hetzelfde moment “met sneeuw bedekte monsters” zijn.
3. Van Freyr, wiens echte woonplek Alfheim is (Grimnismal 5), wordt gezegd dat ze een “utrost”, een verafgelegen land bewoont. We bezitten een direct parallel met de aanduiding van een land als "£trost", buitengrens, met de naam "Utgard," Buitenplaats, een plaats waar Thor de machtige gigant Utgard-Loki en zijn gigantische onderdanen tegenkomt. In dit afgelegen land wordt Freyjr aangeduid als "Belis dolgr" een vijand van Beli, de wolvenhuiler. Deze bijnaam suggereert dat Beli in nauwe verbinding staat met het verblijf van Freyr in dit verafgelegen grensgebied. Net zoals de mythe van Freyr en Beli voor ons verloren is gegaan, is het echter een bekende bijnaam van Freyr, waardoor ook deze mythe ooit erg bekend moet zijn geweest.

Twee verhalen, bewaard gebleven door de Deense historicus Saxo Grammaticus (gestorven omstreeks 1205 AD), van wie algemeen wordt erkend dat hij zijn inspiratie voor de eerste negen boeken van zijn historie van Denemarken heeft verkregen van het voor hem beschikbare mythische materiaal, verhelderen deze anders zo obscure poëtische referenties.
Zij zijn het verhaal van Frodi en zijn mooie zuster Gunvara, die de boer Erik huwt in Boek V van Saxo's Historica Danica, en het verhaal van Otharus en Syritha, wiens namen die van de Oud Noorse Odr en Syr aanduiden, in Book VII. Samen bewaren de twee verhalen de herinnering van de gevangenhouding van Freyr en Freyja's onder de giganten, en hoe Freyja in het bijzonder werd gered door de sterveling Odr, ook Erik genoemd, en hoe ze zijn bruid werd. Voor sommigen is Saxo Grammaticus een onwaarschijnlijke bron van Germaanse Mythologie, en laten we daarom eerst maar eens de aard van Saxo’s histories onderzoeken, zodat we kunnen vaststellen dat hij waarde als bron helder is.

In de recente vertaling van Saxo's Histories, getiteld Saxo Grammaticus, The History of the Danes Books I-IX" vertaald door Peter Fisher (1996), geeft de beroemde Oud Noorse geleerde Hilda Ellis als commentaar:

"De eerste negen boeken, hier gepresenteerd in de vertaling van Peter Fisher, worden door velen beschouwd als niets meer dan een samenraapsel van oeroude legenden, toespraken uit heroïsche gedichten, selecties uit IJslandse sagen, gerationaliseerde mythen, stukjes Deense folklore, referenties naar stambomen, echo’s van Latijnse geschiedschrijvers en flarden van … goedgekeurde schrijvers, die in de overzichten van universiteiten van de vroege middeleeuwen voorkwamen."

Ze zegt dat Saxo "zeker aan het experimenteren was met Latijnse metrums en poëtische vormen in de verzen, die voorkomen in verscheidene van de vroegere boeken, deze staat opnieuw erg dicht bij de IJslandse dichtkunst, zoals deze in de Edda bewaard is gebleven en in de legendarische saga’s, zelfs als het metrum daarvan erg afwijkt." Ze concludeert dat “algemeen wordt aangenomen dat er weinig van historische waarde in de eerste negen boeken staat, maar dat Saxo’s werk niets van de talentvolle, fantasierijke presentatie van de oude mythen bezit, zoals dat wordt aangetroffen in het werk van zijn bijna tijdgenoot Snorri Sturluson, alhoewel beiden gebruik hebben gemaakt van veel van hetzelfde materieel." Ze geeft echter wel toe dat de verhalen van Saxo een “schatkist” is van Oud Noordse mythologie en dat “veel van zijn verhalen, schijnbaar stammend uit IJsland of Noorwegen, nergens anders bewaard zijn gebleven, en die welke ook worden aangetroffen in de IJslandse sagen kunnen vroeger zijn, een eeuw of meer, dan de IJslandse bronnen in hun huidige vorm."
Dus: het is duidelijk dat Saxo putte uit mythisch materiaal dat vrijwel een volledige eeuw ouder is dan Snorri Sturluson, die net zoals hijzelf, een Christen was die de verhalen over de Noordelijke goden vertaalde naar de “geschiedenissen” van oeroude koningen. In de werken van Saxo, net zoals in de welke van Snorri Sturluson, zijn de Oud Noorse goden vaak herkenbaar, alhoewel in tegenstelling tot Snorri, verhult Saxo hen vaker wel dan niet onder obscure namen en het behoeft een zorgvuldig onderzoek om hun ware identiteit te onthullen.

Met betrekking tot de verloren gewaarde mythe van Freyr en Freyja's gevangenhouding onder de giganten gaan we beginnen ons onderzoek met het verhaal van Frodi en zijn zuster Gunvara onder de loep te nemen dat bewaard is gebleven in Boek V van Saxo Grammaticus' Danish History.
In het begin van Boek V, introduceert Saxo de jonge koning Frodi, zoon van Fridlief, in wie we de jonge Freyr kunnen herkennen: "Na de dood van Fridleif, nam de zeven jaar oude zoon Frodi zijn troon over naar aanleiding van de gemeenschappelijke wens van het Deense volk." Behalve de jonge koning treffen we ook zijn zuster Gunvara aan, “wiens ongeëvenaarde schoonheid haar de titel van “de Schone” had opgeleverd"
”De koning is echter te jong om te regeren en de regering wordt waargenomen door voogden, genaamd Vestmar en Koli, die de opdracht hadden gekregen om leiding te geven aan de koninklijke opvoeding."

Saxo meldt dat "Vestmar twaalf zonen had, waarvan drie een gewone naam Grep hadden gekregen. Zij werden tegelijkertijd verwekt en werden ook op hetzelfde moment geboren, waardoor het feit dat ze dezelfde naam hadden ook het bewijs was van hun gelijktijdige oorsprong." De jongste van de drie is ook een beetje een dichter en Saxo merkt op dat hij “al zijn tegenstanders niet overwint met slim taalgebruik, maar door hen te tiranniseren met een voortdurende stroom van brutale praat" (112). Door de wijze waarop deze dingen worden beschreven wordt het al snel duidelijk dat zij niet menselijk zijn. Saxo geeft hen alle karakteristieken van dieren. Later in het hoofdstuk beschrijft hij hen als "het uiten van bloedstollen kreten als waren het huilende wolven" (115). De wet van de gastvrijheid, zo heilig onder de Germaanse volkeren, was voor hen onbelangrijk; Saxo zegt dat in hun midden werden “gasten en vreemdelingen met belediging verwelkomd in plaats van een vriendelijke begroeting, zo vaak kwamen minachtende provocaties voor onder deze obscene en brutale groep." Hun onderdanen kwamen er niet veel beter vanaf:

"Sommigen werden hoog opgehesen aan lange touwen en dan werden ze heen en weer geslingerd alsof ze met een bal aan het spelen waren; ze legden kinder-velletjes voor de voeten van anderen en wanneer ze uit balans raakten op het gladde oppervlak dan trokken ze plotseling aan verborgen touwen en lieten ze opzettelijk onverwacht struikelen, terwijl anderen van hun kleding werden ontdaan en zweepslagen kregen met martelende klappen; op sommigen werden nep-opknopingen uitgevoerd door hen een strop om te doen van nagels; van sommigen werd hun baard en haar in de fik gestoken met fakkels; van andere mannen werden de genitaliën en het schaamhaar geschroeid. Vreemdelingen werden in elkaar geslagen met beenderen of gedwongen dronken gevoerd met grote hoeveelheden drank totdat ze barstten."

En hun seksuele lusten namen groteske proporties aan:

"Toen Vestmar en Koli's zonen opgroeiden tot jong-volwassenen werden ze heet-bloedig, hun zelfvertrouwen veranderde in aanmatigendheid en ze onteerden hun karakter door vuile, degenererende praktijken. Hun gedragingen waren zo buitensporig en onbeheerst dat ze de vrouwen en dochters van andere mannen lastig vielen; het leek alsof ze kuisheid buiten de wet hadden gezet en het in een bordeel hadden geplaatst. Ze hielden het niet bij getrouwde vrouwen alleen, maar onteerden ook de bedden van maagden. Geen enkel echtelijk bed was veilig voor hen; er was nauwelijks een plaats in het land te vinden die gevrijwaard was voor hun uitingen van lust."

Gunvara de Schone lijkt hierop de enige uitzondering. Er werd veel zorg besteed om te verzekeren dat ze niet onteerd werd. Saxo vertelt ons dat ze zichzelf opsloot in een gebouw dat versterkt was met aarden wallen, met dertig bedienden die haar constant in de gaten hielden. Het is duidelijk dat de jonge koning Frodi en zijn knappe zuster zich niet in menselijk gezelschap bevonden. Hoewel Saxi deze gebeurtenissen laat afspelen in zijn geboorteland Denemarken, heeft hij waarschijnlijk
  hun gevangenhouders gemodelleerd naar mythologische giganten die in Jotunheim in het verre oosten woonden. Hij getroost zich veel moeite om te beschrijven hoe Frodi en Gunvara geïsoleerd waren hun landgenoten.
Van Frodi zegt hij:


"(Grep) besloot dat het privilege om de koning te ontmoeten slechts verkregen zou worden door middel van omkoping en verordonneerde dat niemand een onderhoud zou krijgen tenzij hij eerst geschenken had aangeboden. Hij kondigde ook aan dat de audiëntie tot zo’n machtige leider niet over een figuurlijk versleten pad zou moeten gaan, maar slechts kon worden verkregen door middel een vreselijk vlijtige wijze van werving omdat hij dacht dat deze gesimuleerde affectie voor zijn monarch zijn barbaarse reputatie zou doen verminderen. Het volk, ten einde raad, kon slechts hun onderdrukking met stille kreunen beklagen." (108)

Het koninkrijk zelf werd beschermd tegen een invasie vanuit zee door de macht de een tovenaar, die als een schildwacht optrad en op de uitkijk stond voor ieder schip dat richting Denemarken voer. Zijn naam was Oddi en Saxo vertelt ons dat
  "hij een man was die hooggeleerd was in de magische kunsten, die de volle zee kon afschuimen zonder boot en vaak vijandige schepen deed kapseizen door stormen te veroorzaken door zijn toverspreuken." (128)
Dat hij “zonder een boot” over de zeeën kon reizen kan een mythologische verklaring hebben in het feit dat de giganten een paar keer zijn afgebeeld als wadend in de oceaan, en een vrouwelijke gigant minimaal één keer in het midden van een rivier stond waardoor deze overstroomde.
Symbolisch kunnen deze giganten de stormen op zee voorstellen.
  Herinner ook dat Aegir en Ran, die over de grote westelijke oceaan regeren tot de giganten-clan behoren. In de mythologie is Jotunheim, huis van de giganten, afgezonderd van de werelden van de mensen en de goden door de mythische rivier de Elivagar, waarvan de giganten pogen de goden te verhouden om over te steken.

Net zoals de meeste mythische zaken heeft de Elivagar vele namen. Bij één gebeurtenis wordt het aangeduid als Gandvik, de Magische Baai (Thorsdrapa 2). Het is waarschijnlijk dat de vroege heidenen deze rivier beschouwden als vol van bovennatuurlijke stormen. Van Oddi zegt Saxo dat hij het gezichtsvermogen van de vijand kon verduisteren met de kracht van zijn toverformules."(128)

Het is alsof Frodi en zijn zuster Gunvara de gevangen zijn van de mythische Jotuns, die duidelijk geen enkele genegenheid voor hen voelen behalve dan dierlijke seksuele begeerte voor Gunvara. Hun merkwaardige omstandigheden herinneren ons onmiddellijk aan de situatie van Freyr, zoals aangeduide door de oud Noorse skald. Net zoals Freyr woont de jonge Frodi in een "utrost", een buitengrens, een plek afgesneden van de mensheid. Een episode in Saxo’s verhaal versterkt de identificatie van Frodi en Gunvara als Freyr en Freyja: het is het huwelijk van de jonge Frodi met de dochter van de koning van de Hunnen.


Zoals we weten uit het Eddaïsche gedicht For Skirnis, kwijnde de god Freyr ooit weg als gevolg van zijn liefde voor de stralende vrouwelijke gigant Gerd. De vader van Freyr, Njord, stuurde de Freyr's vrienden uit zijn kinderjaren Skirnir om de vrouwelijke gigant het hof te maken, maar ze verachtte openlijk de jonge oogst-god. Uiteindelijk overtuigde Skirnir haar ervan om het voorstel aan te nemen en ze ging ermee akkoord om Freyr negen nachten later te ontmoeten. Saxo vertelt op zijn gebruikelijke manier deze mythe als geschiedenis. In Boek V van zijn History dat de jonge koning Frodi zich gedwongen voelt om de dochter van de Koning van de Hunnen het hof te maken. Hij stuurt Gotvara en haar zonen de Greps, samen met haar echtgenoot Vestmar, als ambassadeurs naar de Hunnen. Frodi koopt haar diensten door een kostbare halsketting. Gotvara vergezelt haar echtgenoot en haar twee zonen om de vrouwe het hof te maken, die net zoals Gerd, openlijk haar minnaar afwijst. En net zoals Gerd wordt zij overreed om de jonge koning te huwen.
Hoewel het waar is dat beide verhalen slechts op elkaar lijken, is het veelbetekenend dat de vrouw van Frodi, net zoals die van Freyr afkomstig is uit het verre oosten. In de mythologie is Gerd een bewoner van Jotunheim dat ten oosten van Midgard is gelegen, terwijl in het verhaal van Saxo de vrouw van Frodi een dochter van de Koning van de Hunnen is.
De Hunnen zijn een woest historisch volk die ten oosten van de Germaanse stammen woonden; dus in dit verhaal en ook elders in de eerste negen boeken van Saxo's History, stellen de Hunnen uiteraard de mythische Jotuns voor. Herinner ook dat de skald, die Freyr in een “utrost” plaatste hem als “Beli’s vijand” aanwees. De naam Beli, hetgeen (wolven)huiler betekent, suggereert duidelijk een gigant, wat ons onmiddellijk doet denken aan de manier waarop de gevangenhouders van Frodi Erik en Roller begroetten: "met bloedstollende kreten als huilende wolven."

In de mythologie brengt Skirnir kostbare schatten om de bruid om te kopen – elf gouden appels, de ring Draupnir en het fantastische zwaard van Freyr – terwijl in Saxo’s verhaal Frodi de afgezanten zelf met een kostbare halsketting moet omkopen. Als Frodi Freyr zou zijn en zijn knappe zuster Gunvara Freyja zou zijn, dan zou een halsketting een logische keus voor Saxo zijn, omdat Freyja één van de meest waardevolle van vrouwelijke ornamenten draagt, Brisingsamen. Saxo beschrijft dit ornament in detail, en hier kan de enige beschrijving bewaard zijn gebleven van Freyja’s halsketting:

"De koning begreep dat omkoping noodzakelijk was en bood een gold halsketting aan als het honorarium voor de afgevaardigde. Deze halsketting had gegraveerde knoppen die aan elkaar vastgezet waren en miniaturen van vorstelijke personen daartussen gezet, die naar elkaar toe van elkaar worden getrokken door aan een daarin zittende draad te trekken; meer een luxe speeltje dan een nuttig artikel". (105)

Saxo's verhaal van de gevangenschap van Frodi en Gunvara onder de Grep broers verheldert ook de skaldische referentie dat dichtkunst "de gist-stroom van Syr’s sneeuw-bedekte monsters (greppar). In het verhaal van Saxo probeert de oudste van de Greps liefde te bedrijven met de zuster van de koning, Gunvara, en neemt vervolgens wraak omdat hij afgewezen was door het recht te eisen om haar vele aanbidders te beoordelen. Hij hakt hun hoofden af en stelt ze tentoon voor haar kamers zodat alle nieuwkomers ze kunnen zien. Vanuit deze vreselijke gevangenschap wordt Gunvara de Schone, waarin we de jonge Freyja herkennen, gered door een man van eenvoudige afkomst genaamd Erik.

Hij gaat ermee akkoord om bij het gezelschap van Frodi en Gunvara te komen, maar alleen nadat zijn broer Roller, "een goede reiziger en een onderzoeker van het ongebruikelijke, zwoer om het kameraadschap van Frodi te verwerven" (128). Nadat de moeder van Roller, -- Erik's stiefmoeder – die een bovennatuurlijke kracht bezat omdat ze in zich een heilige kracht uitoefende, en op een bepaalde manier een metgezel van de goden was" (130) hem uitgerust had met beschermende krachten, zijn ze de schildwachtende tovenaar en zijn mannen te slim af, verdrinken hem en zorgen er op die manier voor dat, door deze stoetmoedige en gevaarlijke actie,  zijn reputatie hem vooruit snelt in het koninkrijk van Frodi.

Wanneer hij daar eenmaal is wordt Erik ontmoet hij de oudste Grep, die Erik verlaat in een oorlog van woorden. Verbaal ten schande gemaakt en verslagen, roept Grep de hulp in van tovenaars om de naderbij komende Erik en Roller te hinderen. Maar Erik is voorzichtig en overwint eenvoudig een slecht voorteken die op zijn pad is neergelegd. Erik en Roller worden snel toegelaten tot Frodi, op datzelfde ogenblik de “bloestollende kreten als huilende wolven", alsmede meer wrede trucks en bedriegerij. Op een feest die avond ontmoet Erik voor de eerste keer de zuster van de koning, Gunvara de Schone. Als ze hem een drankje aanbiedt uit een grote kan, neemt hij die kan en haar uitgestoken hand en zegt:

"Was je vrijgevigheid, nobele heerseres, van plan dit als een cadeau aan mij te geven. Ben je het met me eens dat wat ik nu vast heb mag houden als een permanent geschenk?" De koning dacht dat met ‘het geschenk’ hij alleen maar de kan bedoelde en gaf toe, maar Erik trok toen het meisje naar hem toe alsof ze in de gift was opgenomen geweest."

Erik hervat het verslaan van de familie van de giganten die de koning en zijn zuster bewaken. Hij doodt eerst de Greps, dan hun vader Vestmar, vervolgens hun moeder Gotvara en herwint ondertussen ook nog een “indrukwekkende
  halsketting”, die in deze context niets anders kan zijn dan de kostbare Brisingsamen. Na verloop van tijd trouwt Erik met Gunvara en keert met haar terug naar zijn geboorteland Noorwegen.


De aanwezigheid van de drie Greps maken het zeker dat deze Gunvara, de knapste van alle vrouwen, Freyja is, aan wie de skald Kormak refereerde als de "Syr van de Greps." Het feit dat ze zo
  vaardig met woorden waren verklaart uiteraard zijn kennis van dichtkunst die de “gist-stroom van Syr’s Greps” is.

Kormak noemt de Greps als “sneeuw-bedekt" daarmee verder de suggestie wekkend dat ze giganten zijn. De aanwezigheid van een opmerkelijke belangwekkende halsketting in het verhaal verhoogt de waarschijnlijkheid van deze identificatie. Dus kan de broer van Gunvara alleen maar de Noorse god Freyr zijn, zoals zijn huwelijk met de dochter van de Koning van de Hunnen, een rechtstreekse parallel met Freyr eigen huwelijk, suggereert. Met de hulp van de skalden lijkt het erop dat we over het eerste contact tussen Freyja en “de man genaamd Odr” gestruikeld zijn.


In Boek VII voorziet Saxo ons van meer informatie met betrekking tot Freyja en Odr. Hier treffen we het verhaal van Otharus en Syritha aan, waarin we onmiddellijk de nauwelijks verhulde Othar, Oud Noors voor Odr, en Syr, een bekende bijnaam van Freyja, aan. In dit verhaal is Syritha ontvoerd door een gigant en Otharus poogt haar te bevrijden. Gelukkig zijn de details die Saxo hier verstrekt minder van een historische aard maar meer van een mythologische, hetgeen lijkt aan te geven dat dit verhaal dichten bij de daadwerkelijke mythe staat dan het voorgaande verhaal over Gunvara en Erik. Over Syritha's oordeel wordt gezegd:

"Er was een gigant die dezelfde bedoelingen had (het meisje het hof maken), maar toen hij ontdekte dat zijn pogingen net zo ineffectief waren kocht hij een vrouw om teneinde voor een tijdje de bewaker van de vrouwe te worden en zo haar vriendschap te winnen.
Uiteindelijk verzon ze een sluw excuus om het paleis te verlaten en lokte Syritha verre van het huis van haar vader. Kort daarop kwam de gigant op haar afstormen en nam haar mee naar een smal hol op een bergrichel. Sommigen hebben het vermoeden dat hij een vrouwelijke vorm aannam, waardoor hij in staat was geweest het meisje listig weg te lokken en uiteindelijk haar kidnapper werd." (226)

Dit bevestigt de verklaring in Voluspa 25 die zegt dat Freyja, "Od's vrouw" was "gegeven aan het ras der giganten." Onmiddellijk herinnert dit verhaal ons aan hoe Loki Idunn weg lokte uit Asgard en in de handen van de gigant Thjazi.
Terwijl ik niet de suggestie wil wekken dat dit Saxo’s vertelling is van hetzelfde verhaal, wil ik wel degelijk de indruk wekken dat in dit geval de dader ook Loki geweest kan zijn. Saxo lijkt onzeker te zijn of Syritha uit haar woning gelokt was door een dienares die samenspande met een gigant dan wel door de gigant zelf, vermomd in een vrouwelijke vorm. Mythologisch gezien past Loki het best in deze beschrijving. Hij is een gigant en van hem is bekend dat hij meer dan eens de vorm van een vrouw had aangenomen. Hij heeft zelfs kinderen gebaard en heeft in ieder geval een keer eerder een godin uit Asgard gelokt en in de handen van de giganten. Het gebruik van het woord “lopt” in Voluspa 25 lijkt dit vermoeden te bevestigen. Moderne commentatoren, zoals Ursula Dronke, zien in dit vers ook de daden van Loki aanwezig (hoewel ze de bedoeling anders interpreteren). Van dit couplet zegt Dronke:
"Wie had de goden naar deze pas gebracht? Ze zochten rondom naar een dader. De dichter geeft een paar hele kleine aanwijzingen om de antwoorden op hun vragen te geven. De dader was, zoals altijd, hun verlosser. Als de lucht – lopt – gemengd werd met vernieling - laevi blandit – wie anders kon daarvoor verantwoordelijk zijn dan Loptr zelf, Loki inn laevisi, kenner van rampspoed, expert in het vermengen van het kwade met het goede van de goden, of het nu hun honingdrank is - blend ek theim sva meini mjod (Lokasenna 3) – of hun lucht."

Saxo beschrijft Syritha dat ze in een ongebruikelijke staat is, hij vertelt ons dat “het creatuur tijdens het schenken van zijn aandacht haar haar in een stevige knot naar achteren had gebonden waardoor de krullen in een vervlechte massa was, zodanig dat niemand dat kon ontwarren" en dat haar ogen star voor zicht uitkeken - "toen een grote massa aanbidders om haar heen draaide als gevolg van haar schoonheid, kon zij niet worden bewogen om naar iemand hen te kijken." Deze details zijn waarschijnlijk van mythologisch belang.

Het haar van een vruchtbaarheids godin, zoals Freyja was, kan best wel zelf gezien zijn als een vruchtbaarheids symbool. Van de mythe over het haar van Sif wordt gezegd dat ze goudblond haar had dat Loki afsneed. Sif's echtgenoot, Thor, dwingt Loki om het gouden haar van zijn vrouw te herstellen en onder dwang doet Loki dat. Op een symbolisch niveau stelt het haar van Sif de goudkleurige graanvelden voor, die iedere oogst worden afgesneden, om vervolgens weer opnieuw te groeien.
Freyja's haar kan eenzelfde betekenis hebben gehad. We worden verteld dat de gigant het in de war maakte en het in een harde massa tegen haar hoofd drukte.
Wanneer we erkennen dat de giganten de krachten van de vorst vertegenwoordigen dan is het waarschijnlijk dat de verwarde massa haar op het hoofd van een vruchtbaarheids godin het leven van planten kan voortstellen, verwrongen en bevroren onder de sneeuwjachten. Dit kan ook verhelderd werken op de bijnaam van Freyja, Horn, omdat de horens van beesten slechts geharde massa’s haar zijn.

De starende blik van Syritha’s is waarschijnlijk een oorspronkelijk onderdeel van de mythe van Freyja. We vinden een bepaalde bevestiging van dat idee in het gedicht Fjolvinsmal. Daar komt een held genaamd Svipdag naar een goed versterkt kasteel over zijn gedoemde bruid Menglad op te eisen.
Wanneer hij arriveert is zij in een droomachtige toestand en zit ze op een verhoging omringd door bedienden. In strofe 35 vraagt Svipdag "Hoe wordt die berg genoemd waarop ik de prachtige bruid
  "thruma" zie zitten? thruma betekent "rustig blijven".  En dat blijft zo totdat de poortwachter haar aanroept om Svipdag te ontmoeten met wie ze al verloofd is. In strofe 42 informeert Fjolsvidr, de poortwachter hem dat "Er geen enkele man is die in de zachte armen van Manglad mag slapen, behalve Skipdag; hij is met de zon-heldere vrouwe verloofd om zijn vrouw te worden", en in strofe 46 verlangt ze van hem "dat ze een aandenken wil hebben als bewijs dat ze met hem verloofd is." De dichter vertelt ons dat Menglad een godin is en één van de belangrijkste. Acht bedienden zitten aan haar voeten, wat aantoont dat ze aan haar ondergeschikt zijn. Onder hen is Eir, de godin van genezing en een bediende van Frigg (Gylfaginning 35). Svipdag herkent hen als godinnen en vraagt: "Geven ze wat je wilt als het noodzakelijk is wanneer je  ze aanbidt?" (strofe 40) en hem wordt verteld dat "Als ze ieder zomer op hun altaar offerandes krijgen dan kan er niets gebeuren dat zo vreselijk is dat deze vrouwen hen daar niet tegen kunnen beschermen." Menglad is duidelijk een godin met een voorliefde voor vrouwen en aan wie andere godinnen ondergeschikt zijn.
De naam Menglad zelf betekent "Plezier hebben aan ornamenten" of letterlijk “in halsketting gekleed". En het is zeker passend als een bijnaam voor de bezitter van Brisingsa-men, de allerbeste van de vrouwelijke ornamenten, en de moeder van de godin Hnoss (schat) en Gersemi (juweel). Al in 1835 identificeerde de Duitse mytholoog Jakob Grimm haar met Freyja (Deutsche Mythologi, Vol 4, hoofdstuk 26). Moderne commentatoren, zoals Kevin Crossley-Holland, hebben hetzelfde gesuggereerd. (Zie het commentaar over Mythe 23 in de appendix van The Norse Myths, 1980).

Niets in het gedicht wordt bij zijn normale naam genoemd, maar de dichter voorziet ons van slimmer aanwijzingen waardoor we weten waarover hij spreekt. De dichter informeert ons subtiel dat dit kasteel Asgard zelf is. De portwachter heet Fjolsvidr, een bijnaam van Odin volgens Grimnismal 47. Zijn waakhonden worden Gifr en Geri genoemd, terwijl die van Odin Geri en Freki genoemd worden (Grimnismal 19). Deze honden voeren hun taken uit samen met elf bewoners van de citadel die “vardir” (wachters) genoemd worden, een woord dat gebruikt wordt om de goden aan te duiden.
Heimdall wordt zelf "vordr goda" (de hoeder van de goden) genoemd, en Hyndluljod 29 informeert ons dat de Aesir uit hun elven bestaan na de dood van Balder. Deze elf bewakers blijven op hun hoede "totdat de krachten vergaan" (strofe 15) en de muren van het kasteel zullen net zo lang blijven staan “als de wereld zal blijven bestaan" (strofe 15). Binnenin de citadel ziet Svipdag de takken van “de Mimir’s Boom, wiens takken alle landen schaduw geven". Er kan geen twijfel over bestaan dat dit Asgard is. Het is echter treurig dat dit gedicht algemeen wordt geïnterpreteerd als het verhaal van een menselijke held die een vrouwelijk gigant het hof maakt en wordt daardoor ook vaak niet opgenomen in de moderne vertalingen van de Poëtische Edda. In werkelijkheid is dit de laatste episode in de saga van de hofmakerij en huwelijk van Freyja en de man die Odr genoemd wordt.

Menglad in het gedicht Fjolsvinsmal zit stilletjes totdat haar geliefde voor haar komt, terwijl in Saxo’s verhaal Syritha zelfs niet bewogen kan worden om naar Otharus te kijken Saxo verklaart dat door te zeggen dat ze simpelweg zedig en koppig is, maar in mythologische termen lijkt het erop dat Freyja onder invloed stond van een soort betovering was waardoor ze voor zich uit staarde, en net zoals in een sprookje, deze kon alleen maar worden verbroken door een kus uit echte liefde.
  Odr is ontmoedigd in zijn poging om haar van de giganten te redden als ze zelfs niet laat merken dat hij er is. Allereerst doodt Otharus, die haar kidnapte en haar wegvoerde, maar al snel vindt dat ze ondankbaar is wanneer hij er niet is slaagt haar genegenheid te winnen. Omdat hij “het meisje niet uit lust wil gebruiken" (226), “verlaat hij haar in het land van de giganten. Zonder doel rondzwervend bereikt ze het huis van een vrouwelijke gigant waar ze tot taak krijgt geiten te verzorgen. Otharus keert terug en bevrijdt haar opnieuw, maar hij voelt zich gefrustreerd in zijn pogingen om verandering te brengen in haar bewegingsloze blik en keert daarop terug naar zijn manschappen en zeilt naar huis. Hij laat Syritha achter om wederom alleen in het land der giganten rond te zwerven. Dan gebeurt er iets opmerkelijks.

Terwijl Syritha alleen in bergachtig terrein zwerft vindt ze per ongeluk de weg naar het huis van Otharus voordat hijzelf dat doet. Toen ze elkaar verlieten zette Otharus zeil naar huis, terwijl Syritha werd achtergelaten. Dat ze te voet nog eerder bij zijn huis kon aankomen dan hijzelf is uiterst opmerkelijk.
Peter Fisher vertaalt dit gedeelte van de tekst van Saxo als “Nadat Syritha lang en ver had rondgezworven over het rotsachtige landschap, kwam ze bij toeval bij het huis van Ebbi's (Otharus' vader), waar ze, beschaamd over haar hulpeloze en hulpbehoevende toestand, voordeed alsof ze een kind van armelui was.”

Hier laat de vertaling van Fisher ons in de steek. Daarom moeten we ons wenden naar een andere, meer exacte vertaling om de bedoeling achter deze vreemde passage te ontwaren, eentje die ook door Fisher wordt onderschreven. De moderne vertaling van Peter Fisher is zeer goed leesbaar en dat zou ook moeten gezien de bedoeling van de vertaling die “leesbaarheid, zover dat mogelijk is terwijl tevens de bedoeling en toonzetting (van Saxo) behouden blijft”. Maar, zo merkt hij op, Saxo’s Latijn heeft vaak de neiging “verwrongen en zich herhalend te zijn, waardoor lange zinnen vaak moeten worden opgebroken in twee of drie Engelse zinnen”. Fisher vertaalt ook obscure woorden en zinnen in een meer exact dictum, maar daardoor tevens soms de opzettelijke dubbelzinnigheid verliezend die juist Saxo’s historische vertellingen van puur mythologische gebeurtenissen maskeren. Met andere woorden: Fisher heeft de neiging te kiezen voor een exacte beschrijving waar Saxo juist opzettelijk dubbelzinnig wilde zijn. Saxo had soms problemen hoe hij mythische gebeurtenissen in realistische historische termen moest beschrijven. Op dit moment is er slechts één andere Engelse vertaling geweest en dat is die van Oliver Elton. Peter Fisher maakte zelf gebruik van Elton’s vertaling toen hij zijn eigen voorbereidde en in de introductie van de tekst van Fisher merkt Hilda Davison op dat de Engelse uitgave van Oliver Elton een “onmisbaar werk is waaraan studenten van Noorse literatuur veel dank verschuldigd zijn." Daarom heb ik er in dit geval voor gekozen om naar de tekst van Elton te verwijzen in de hoop dat het enig licht kan laten schijnen op deze opmerkelijke gebeurtenis.


Elton vertaalt dezelfde bovenstaande passage ietwat anders. Merk ook op dat hij ervoor gekozen heeft om Syritha als het Oud Noorse Sigrid te vertalen, hetgeen geen verder geen invloed heeft op de tekst:

Sigrid, net zoals altijd, rende ver weg over de rotsen, en kwam per ongeluk op haar zwerftochten bij het huis van Ebb; waar, zich schamend voor haar naaktheid en ellende, ze zich voordeed als een dochter van armelui.

De uitdrukking "net zoals altijd" “rende ze over de rotsen" is opmerkelijk. Viktor Rydberg, in de Engelse vertaling van Rasmus Anderson heeft eenzelfde uitdrukking gebruikt, "op een wijze zoals soms in de oudheid gebeurde, spoedde ze zich ver weg over de rotsen." Het lijkt erop dat Saxo hier duidt op iets obscuurs dat hij niet op een historische manier kan uitleggen. Maar een ding is zeker: Syritha spoedde ver weg over de bergen en sneller dan Otharus per schip naar huis terug kon keren.
  Het was alsof ze vloog, en misschien deed ze dat ook wel, wanneer we ons herinneren dat Freyja een kostuum van valken-veren bezat waarmee ze kon vliegen. Loki gebruikte het zelf twee maal toen hijzelf naar het land van de giganten reisde. Eén keer naar Geirrod en één keer naar Thrym. En iedere keer wordt daar specifiek bijverteld dat het aan Freyja toebehoort. En dus is het hier waarschijnlijk dat Syritha, de “historische” Freyja haar valken-vermomming aannam en naar het huis van Otharus vloog, de man die voorbestemd was om haar echtgenoot te worden. 


Eenmaal daar wordt de moeder van Otharus (waarvan ik vermoed dat ze eigenlijk zijn stiefmoeder is omdat we weten dat Odr’s moeder Groa hiervoor al was gestorven) gewaar dat Syritha, als gevolg van haar gelaatstrekken en houding, van nobele afkomst moet zijn en verwelkomt haar in haar huis als een nobele gast. Terugkomend herkent Otharus haar onmiddellijk, maar kan nog steeds niets anderen aan haar teneergeslagen ogen.

Saxo zegt dat ze haar gezicht in haar jurk verstopte. Toen hij dat zag probeerde Otharus had liefde op de proef te stellen en bereidt een nephuwelijk voor met één van de meisjes uit zijn huishouding hopend dat hij daardoor de jalousie van Syritha zal opwekken. Syritha wordt tot bruidsmeisje benoemd en wordt gevraagd om de route naar de bruidskamer te verlichten. Ze vertoont geen enkele emotionele reactie totdat de kaars opbrandt en zij haar hand schroeit. De vlammen doen haar geen pijn, maar wanneer Otharus haar hand pakt, kijken ze elkaar in de ogen en de vloek is verbroken. Zoals Saxo zegt: “onmiddellijk wordt het nephuwelijk een echte en zij betrad het bed in de huwelijksnacht als zijn bruid. Symbolisch gezien verbreekt het vuur de vloek die over haar is uitgesproken door de ijs-giganten.

Hoewel Saxo ons vertelt dat Otharus en Syritha "het bed in de huwelijksnacht betraden" is het waarschijnlijk dat ze kuis bleef. Eerder benadrukte Saxo dat Syritha kuis bleef terwijl ze in het land van de giganten verbleef en na haar huwelijk, zo zegt Saxo, maakte haar vader Sivald, die in deze context alleen maar Njord kan zijn, bezwaar tegen het huwelijk. Omdat we Freyja, als de mooie Menglad, stilletjes in Asgard zittend aantreffen terwijl ze op haar echtgenoot wacht, is het waarschijnlijk dat Freyja opnieuw is weggevoerd, mogelijk door haar vader voordat het huwelijk geconsumeerd was. De episode in Fjolsvinsmal completeert het verhaal op een natuurlijke manier.
  Daar wordt ons verteld dat, voordat  Svipdag (Odr) Asgard binnen mag komen, hij een zwaard mee moet nemen, dat gevaarlijk voor de goden is. De zoektocht daarnaar vormt een ander belangrijk onderdeel van zijn verhaal. Dat ze elkaar eerder hebben ontmoet wordt duidelijk gemaakt door de woorden van Menglad, die zegt: "Nu is gebeurd was ik gehoopt had, dat jij, lieve jeugdige, opnieuw naar mijn hal komt." (strofe 50). Het begin van het gedicht geeft aan dat Svipdag daar niet eerder is geweest en dus moeten zij en haar verloofde elkaar hebben ontmoet terwijl ze ergens anders dan in Asgard waren.

Ten slotte, laat mij stellen dat de verhalen van Gunvara, Syritha en Menglad, zoals opgetekend in Saxo Gramaticus' History en in de Edda, als puzzelstukjes in elkaar passen en zodoende een complete sage vormen die tot onderwerp heeft de eerste ontmoeting van Freyja en de man genaamd Odr. Ontdaan van alle details zijn de kernpunten van deze belangrijke mythe:

Gedurende de periode dat de oorspronkelijk artiesten de vijanden van de goden werden, toen Loki de zonen van Ivaldi opzette tegen de dwergen Brokk en Sindri, voelden de Zonen van Ivaldi zich beledigd en verlieten kwaad het gezelschap van de goden. Dit voorspelde niet veel goeds voor de jonge vruchtbaarheids god Frey, die werd opgevoed in Alfheim, waar de Zonen van Ivaldi woonden. Zij leveren hun jonge pupil uit aan de machten van de bevriezing. Op dezelfde manier wordt Freyjr’s zuster, Freyja weggelokt uit Asgard en in de handen van de giganten. Daar blijven ze in gevangenschap, waarschijnlijk onder invloed van magie welke hun in een koude en droomachtige staat houdt, totdat ze bevrijd kunnen worden.

Redding komt, ironisch genoeg, uit dezelfde hoek die hen had verraden, namelijk de elven.De vrouw van Ivaldi’s zoon Egil, zendt haar zoon Ull (Saxo's Roller) en haar stiefzoon Odr erop uit om de vruchtbaarheidsgoden te redden. Odr heeft niet veel zin om te gaan, maar na het ontvangen van beschermingsliederen van zijn overleden moeder, de beroemde tovenares Groa, die ooit probeerde een stuk wetsteen uit het hoofd van Thor te toveren, stemt Odr erin toe om te gaan.


Odr and Ull staat een gevaarlijke reis over de Elivagar wachten en na vele problemen komen in de entourage van de gevangengehouden Freyr en Freyja. De giganten hebben een nep hofhouding opgericht met Freyr en Freyja als hun koning en koningin. De giganten proberen in het bijzonder Freyja te onteren, maar om de een of andere reden blijft ze puur. Ull en Odr bevrijden hen uiteidnelijk en doden de giganten.

Odr en Freyja zwerven alleen in het land der giganten.
  Waarschijnlijk ging Freyr met Ull mee terug, maar dit is onzeker. Odr laat Freyja echter alleen achter omdat ze niet kan worden bewogen om naar hem te kijken. Hij neemt aan dat zij dit opzettelijk doet, laat haar achter in Jotunheim en gaat op weg naar huis. Wonderlijk genoeg bereikt zij zijn huis eerder dan hijzelf. Daar arrangeert hij een nephuwelijk om haar ware gevoelens te testen. Gedurende de ceremonie verzwakt vuur de toverspreuk waar zij onder verkeert en hun blikken kruisen. Freyja en Odr treden vervolgens in het huwelijk.

Freyja keert naar Asgard terug, nog steeds onder invloed van de vloek. Ze wacht met smart op de terugkomst van Odr. Het gedicht Fjolsvinsmal suggereert dat hij een gevaarlijk zwaard moet zien te bemachtigen, gesmeed door de Zonen van Ivaldi met het oogmerk om de goden te vernietigen en het naar Asgard moet brengen als de prijs die hij voor zijn bruid moet betalen. Andere gedichten uit de Edda bevestigen deze informatie. Het zwaard met hem meevoerend naar Asgard, gaan de poorten vanzelf voor hem open en Freyja rent op haar geliefde toe. Ze uit haar wens om voor altijd in voorspoed met hem verder te leven, naar ongelukkigerwijze, het lot beslist anders.

In het volgende deel van deze serie zal ik de sage van de zoektocht van Odr naar het zwaard verder onderzoeken en tevens onderzoeken wat de mythen hebben te zeggen over Odr en zijn karakter. In de derde en laatste aflevering zal ik de mythe reconstrueren over hoe Freyja en Odr van elkaar gescheiden werden en hoe Freyja over de hele wereld zwierf om hem terug te vinden, onderwijl traden van goud huilend.


Terug