|

Geschiedenis van het volk
der Friezen
Oorspronkelijke
titel: HISTORY OF
THE FRISIAN FOLK
Door Redbad
Met toestemming
van de auteur gepubliceerd op Boudicca's Bard Nederlandse vertaling: Fred
(fred@boudicca.de)
2003. Het copyright van deze nederlandstalige tekst ligt bij Boudicca's
Bard.
- Deel 1 –
(1750 vC – 785 nC)
De oorsprong van de Friezen (1750vC – 700
vC)
De oorsprong van de Friezen ligt in een
gebied dat ruwweg Zuid-Scandinavië, Denemarken en de regio Weser/Oder beslaat.
In de periode tussen 1750 en 700 vC maakten ze nog deel uit van een grotere
groep mensen, de Germanen (of Teutonen) genoemd. Deze grotere groep was
voornamelijk van het Nordische ras (dolichocranic). (Tussen de Nordiërs leefden ook
een –kleinere- groep van brachycranics, die mogelijk de positie van slaaf had)
Gouden bracteaat met runen (fozo
gruoba), dateert uit 750 A.D. gevonden in Hitsum (Fryslân).
Na 1400 vC vond er een expansie van de
Germanen plaats richting Zuid-Europa.
Rond 1400 vC was de oorspronkelijke
Germaanse groep gesplitst in een West-, Oost- (de Goten en de Vandalen) en een
Noord-Germaanse groep (de Scandinaviërs). De verschillen kunnen worden gevonden
in taal en cultuur. Aan het eind van de Bronstijd (700 vC) had de expansie van
de West- Germanen de kuststreken van Noordwest-Duitsland bereikt (thans de
provincie Hannover).
De West-Germanen kunnen, langs religieuze
grenzen, worden onderverdeeld in drie stamgroepen: de Inguaeonen, de Istuaeonen
en de Irminonen. De Friezen behoren tot de Inguaeonen. De naam Inguaeonen is
afgeleid van de god Inguz: de Friezen geloofde dat ze van hem afstamden. Inguz
is een andere naam voor de Germaanse god Freyr. Andere stammen die tot de
Inguaeonen behoorden waren: de Juten, De Warnsers, De Angelen en de Saksen. Van
deze stammen waren de Saxen het meest verwant met de Friezen. Alle Inguaeonen
woonden in de kuststreken van de Noordzee. De Chaukianen, ook een stam die aan
de Noordzee woonde, behoorde tot de Irmionen
Vanuit het noordwesten van Duitsland en,
om preciezer te zijn, de kuststreken rond de mondingen van de rivieren de Eems
en de Weser, koloniseerden de Inguaeonen de kleigronden langs de kusten van de
huidige Nederlandse provincies Friesland en Groningen (700-600 vC)
De Heiden-periode in Friesland (700vC –
800 nC)
Dus, tussen 700 en 600 vC koloniseerden de
voorvaderen van de Friezen de kleigronden langs de kuststreken van de huidige
Nederlandse provincies Friesland en Groningen
Fryslân in de zevende eeuw vC (eerste
kolonisten)
1. Klei :
Eerste Friezen koloniseren in gestreepte gebieden
2. Veengrond-moeras : Onbewoond
3. Zand :
Gestreept gebied is bewoond
4. Moddervlakte : Onbewoond
5. Plaatselijk
gevormd veen : Onbewoond (later
bekend als West-Friesland)
* Huidige grenzen: stippellijn
De grootste groep was afkomstig uit de
regio Eems/Weser. Later kwamen er ook mensen vanaf de hogere zandgronden die
ten oosten van Friesland lagen (het huidige Drenthe)
Tussen 700 en 400 vC kan niemand spreken
van een afzonderlijke Friese groep omdat er nog steeds een homogene cultuur
bestond tussen Texel (Nederland) en de Weser (Duitsland).
Tussen 400 en 200 vC begonnen er
belangrijke culturele veranderingen plaats te vinden. Vanaf Leiden in het
zuiden tot Delfzijl in het noorden ontstond er geleidelijk een ‘Proto-Friese’
cultuur. Rond 200 vC kan er een duidelijk aanwijsbare Friese cultuur worden
aangetroffen tussen de Eems rivier (Duitsland) en Wijk-bij-Duurstede
(Nederland). Voor de allereerste keer zijn de Friezen een etnische eenheid! Ten
noorden van de Eems leeft een stam die Chaukianen genoemd wordt. Een
interessant feit is dat de Chaukianen voornamelijk tot het Falische ras
behoorden (dolichocranisch met een breed gelaat). In de regio, thans bekend als
de provincie Groningen, ontstond er een vermenging van beide rassen. Ook woonde
er een kleine groep van brachycranische mensen tussen de Nordische Friezen,
maar die waren van een niet-Germaanse, resp. pre-indogermaanse oorsprong
Terpenbouwers
Twee eeuwen na de kolonisatie van de
kleigronden begon het zeeniveau te stijgen. Om de periodieke overstromingen van
huis en haard tegen te gaan begonnen de Friezen aardhopen op te werpen, die
bekend staan als terpen. Er zijn verschillende periodes van het rijzen van
zeeniveau geweest (ze gingen samen met stormvloeden), waardoor er dus ook
verschillende periodes van terpenbouw zijn aan te wijzen
Er zijn drie verschillende generaties van
terpbouwen:
De eerste generatie terpen dateert van 500
vC; de tweede dateert van 2000 vC tot 50 nC en de derde dateert vanaf 700nC.
In 250 nC was de stijging van het
zeeniveau en de samenvallende stormvloeden zo erg dat vrijwel alle Friezen de
kleigronden verlieten om pas in 400 nC terug te keren
Contacten met de Romeinen
ulius Ceasar veroverde tussen 58 en 50 vC
het Keltische Galicia (het huidige Frankrijk en België). Hiermee verplaatste
hij de grenzen van het Romeinse Rijk tot aan de rivier de Rijn. Op dat moment
in de geschiedenis leefden de Friezen nog ten noorden van de Rijn en vielen dus
buiten de grenzen van het Romeinse Rijk. Onder Keizer Augustus (28 vC-14 nC)
wilden de Romeinen de rivier de Elbe, in plaats van de Rijn, hun meest
noordelijke grens maken. Het gevolg daarvan was dat het hele Friese volk onder
de invloedsfeer van de Romeinen zou gaan vallen. De Friezen kozen er voor om
met de Romeinen samen te gaan werken. Dit gebeurde tot Drusus en zijn leger in
12 vC bij de Rijn aankwam. De Friezen en Drusus kwamen een wapenstilstand
overeen waarbij de Friezen regelmatig belasting in de vorm van koeienhuiden
zouden moeten betalen.
Onder Keizer Tiberius werd de belasting zo
hoog dat de Friezen daaraan niet meer konden voldoen. Het resultaat daarvan
was: Eerst zouden de Romeinen hun vee afnemen, daarna hun land, en tenslotte
zouden hun vrouwen en kinderen worden afgevoerd om als slaaf te worden
verkocht. In 28 nC kwamen de Friezen in opstand en hingen de
belastingontvangers op. Als represaille zouden de Romeinen hun legioenen om
Friesland te straffen en te veroveren. Maar het Romeinse leger werd verslagen
in een slag bij het Baduhenna-woud. De naam van de Friezen boezemde in Rome nu
angst in. Er was geen Romeinse vergelding omdat Rome zijn eigen interne
problemen had. Gedurende de volgende 20 jaar was Friesland vrij.
In 47 nC kwamen de Friezen een andere
wapenstilstand met de Romeinen overeen. Deze keer met Corbulo. Een overeenkomst
werd opgesteld waarin werd opgenomen dat men het eens was over het feit dat de
Rijn en gemeenschappelijke grens was die beide partijen zouden respecteren.
Friesland zou onder de Romeinse invloedssfeer vallen, maar niet langer bezet
zijn.
In 58 nC namen de Friezen een onbewoond
stukje grond ten zuiden van de Rijn in bezit, waarbij zede afspraken met
Corbulo schonden. Twee Friese aanvoerders, Verritus en Malorix (dit zijn
Romeinse vertalingen van hun Friese namen) gingen naar Rome om aan de Romeinse
Keizer Nero te vragen of ze daar mochten blijven. Spijtig genoeg werden de
Friezen met geweld van dat stukje grond ten zuiden van de Rijn verwijderd.
In 69 nC kwamen de Batavieren (een
Germaanse stam, die woonden in het midden van Nederland en dus de zuidelijke
buren van de Friezen) ook in opstand tegen de Romeinse bezetters. Deze regio
was de noordwestelijke hoeksteen van het Romeinse Rijk. De Friezen en de
Kaninefaten (ook een Germaanse buurstam van de Friezen in het westen van
Nederland) werden bondgenoten van de Batavieren. Jammer genoeg is de opstand
een mislukking. De Romeinen verslaan de Batavieren. De Rijn blijft de grens tot
de ineenstorting van het Romeinse Rijk in 410 nC.
Rond 250 nC verdwijnen nagenoeg alle
Friezen vanaf de Friese kleigronden. De stijging van het zeeniveau maakt het
voor de komende 150 jaar (250 – 400 nC) onmogelijk om in de kustgebieden van
Friesland te blijven wonen. Gedurende deze periode vormt een deel van de
Friezen samen met de Chaukianen (een Germaanse stam met een woongebied dat
grenst aan het noorden van die van de Friezen) een nieuwe stam, die de Franken
genoemd wordt. Dit is de stam die naar het zuiden zal gaan emigreren om het
Frankische Rijk (het huidige Frankrijk) zal stichten.
Na 400 nC stopt de stijging van de
zeespiegel. Het Friese volk en hun adel keren terug naar de Friese kleigronden,
die tegen die tijd alweer in bezit genomen is door mensen vanuit de regio van
de Elbe en Sleeswijk/Holstein. Deze stammen assimileren en gaan de geschiedenis
in als de Friese stam zoals we die vandaag kennen.
In 300 nC hadden andere kleinere
West-Germaanse stammen ook grotere stam-groepen gevormd, die bekend staan als
de Allemanen, de Saksen, de Thuringers, en de Bayerns. De Chaukiaanse stam
verdwijnt helemaal. Hij is in de Friese en Saksische stam opgenomen.
Periode van Volksverhuizingen (350 – 550
nC)
Gedurende twee eeuwen (350 – 550 nC) is
Europa het toneel van vloedgolven van Volksverhuizingen. Germaanse stammen
migreren over heel Europa na de ineenstorting van het Romeinse Rijk. Ze vormen
daarbij nieuwe stammen in de nieuw veroverde gebieden en, voor de eerste keer,
grote georganiseerde Germaanse staten. In Europa waren de grote Germaanse
staten die van de Juten, de Saksen, de Anglo-Saksen, de Frankische, de
Bourgondische, de West-Gothische, de Oost-Gothische, de Vandaalse en de Friese.
Rond 450 nC staken de Angelen, de Saksen,
de Juten en een deel van de Friezen, de Noordzee over en stichtten daar het
Anglo-Saksische Rijk ((het huidige Engeland). De Friezen koloniseerden het
gebied van Kent in het Zuidoosten van Engeland.
Rond 400 nC begonnen de Friezen hun eigen
Friese Rijk te stichten. In 500 nC en zeker in 600 nC was er een snelle
expansie en een sterke toename van de handel. Op zijn hoogtepunt, in de 7e
eeuw, bestond dit rijk uit de kustgebieden vanaf het noorden van België tot aan
het zuiden van Denemarken. En het controleerde een groot deel van de
handelsroutes over de Noordzee van Friesland naar Engeland, Frankrijk, Scandinavië
en Noordwest-Rusland. De periode van Volksverhuizingen heeft blijkbaar slechts
een kleine invloed gehad op de raciale kenmerken.

|
Pas in de zesde eeuw beginnen bronnen weer
over de Friezen te spreken. Een ‘Groot-Friesland’ (Magna Frisia) is gecreëerd.
Dit historische Groot-Friesland bestond uit een smalle strook land langs de
Noordzee, vanaf het Zwin (België) in het zuiden tot aan de Weser (Duitsland) in
het noorden. Dit historische Friese Rijk bleef van 500 nC tot 719 nC bestaan.
Het grensde aan de Saksen in het noorden en het oosten, de Franken in het
zuiden en de Anglo-Saksen in het westen aan de overkant van de Noordzee.
Friese expansie onder Heidense koningen
(400 nC – 719 nC)
Erg weinig is bekend over deze periode van
de geschiedenis. Er zijn geen historische documenten van Friese oorsprong, en
slechts een paar van Frankische en Anglo-Saksische oorsprong. De Frankische
geschriften geven niet altijd een historisch correct beeld van de Friezen.
Vanaf het moment dat de Franken onder Clovis (496 nC) zijn opgestapt op het
Christendom zijn de Friezen hun grootste tegenstanders geworden. Daardoor zijn
de Frankische teksten nogal eenzijdig werden op basis van politieke en
religieuze gronden. Clovis bekeerde zich tot het Katholicisme voor machts-politieke
redenen. De Gallo-Romeinse aristocratie en de kerk in Rome, wiens steun Clovis
nodig had gedurende de periode van opbouw van zijn rijk, waren allemaal
Katholiek. Andere Germaanse stammen in de vroegere invloedssfeer van het
Romeinse Rijk (de Goten en Vandalen) waren bekeerd tot een vorm van Christendom
die meer in overeenstemming was met hun Germaanse ziel: het Arianisme. De
Germaanse stammen in het noorden, waaronder de Friezen, oefenden nog steeds het
geloof uit van hun voorvaderen, thans bekend als Odinisme of Asatru, uit. In
dit artikel wordt de term ‘Heiden’ gebruikt.
Door Katholiek te worden werden de Franken
automatisch de grootste tegenstanders van de Friezen.
Rond 500 nC had Clovis zijn Frankische
Rijk gevormd. Het zou de erfgenaam worden van het Romeinse Rijk met de zegen
van de paus in Rome. De meest noordelijke grens van zijn rijk werd gevormd door de steden Utrecht en
Dorestad, en grenzend aan de Friezen.
Na de dood van Clovis in 511 nC maakten de
Friezen gebruik van de interne Frankische machtsstrijd en veroverden Utrecht en
Dorestad. Beide steden zouden in voor meer dan honderd jaar (511 – 628 nC) in
Friese handen blijven. De verovering van deze steden was van groot belang voor
de Friezen omdat ze poorten waren voor de handel met het Saksische en
Frankische achterland naar de Noordzee. In de zesde en zevende eeuw waren de
Friezen de belangrijkste handelslieden op de Noordzee. De Noordzee werd zelfs
‘Mare Frisicum’ genoemd. Vanuit een religieus gezichtspunt was het Friese
heidendom niet langer een bedreiging voor het Frankische Christendom omdat er
geen uitvalshaven (Utrecht) meer was.
In het jaar 628 nC versloeg de
Frankisch/Christen koning Dagobert een verenigd leger van Saksen en Friezen
(zowel Friezen als Saksen waren heidenen). Door dat te doen viel de stad
Utrecht toe aan de Franken. Dagobert richtte in Utrecht een kerk op gaf orders
aan een bisschop om te beginnen met het bekeren van de Friezen. Christendom was
een werktuig geworden in de handen van de Franken om de Friese onafhankelijkheid
ten noorden van de Rijn te vernietigen.
Koning Finn Folcwalding (leefde ergens in
het begin van de zesde eeuw).
Koning Finn kan een Friese koning geweest
zijn gedurende de zesde eeuw. Hij wordt alleen genoemd in Anglo-Saksische
epische gedichten (Widsith, Beowulf en het Finnburg-fragment), die zo’n 50 tot
100 jaar later zijn geschreven.
Koning Eadgils (? – 677 nC).
Koning Eadgils is de eerste Friese koning
die bij zijn naam bekend is. Twee christelijke schrijvers, Beda en Eddius,
noemen hem in hun geschriften. Onder het bestuur van Eadgil leven de Friezen en
de Franken in vrede met elkaar. Hiervoor zijn twee redenen: de Franken waren
nog steeds intern verdeeld over de vraag wie de erfgenaam was van het rijk dat
Clovis had opgebouwd, en Aedgil liet bisschop Wilfried (een pion van Rome en de
Franken) het Christendom vrijelijk prediken in de Friese gebieden. Deze tijd
van vrede zou een jaar of tien later drastisch veranderen toen Redbad de koning
van Friesland werd en Pepijn de leider van de Franken.
Koning Redbad (679 – 719 nC)
De heidense koning Redbad is de grootste
volksheld van de Friezen. Hij is de verdediger van de Friese vrijheid tegen de
binnenvallende Frankische legers en tegen de Kerk van Rome. Redbad was vrome
heiden. Dus toen de Franken intern verdeeld waren over de vraag wie de Franken
zou regeren, viel hij de Franken aan, veroverde Utrecht en vernietigde de kerk.
Het Christendom werd toen krachtdadig verwijderd uit het Friese rijk.
In 689 nC voerde Pepijn II de Frankische
verovering aan in de Friese landen en hij neemt Dorestad in. Tussen 690 en 692
nC valt Utrecht eveneens in de handen van Pepijn. Daardoor controleert hij de
belangrijkste handelsroutes vanaf het Frankische achterland naar de Noordzee
via de rivier de Rijn. Pepijn sterft in 714 nC. Redbad maakt hiervan gebruik en
verslaat in 716 nC de Frankische legers, onder aanvoering staan van Charles
Martel, nabij Keulen. Hierdoor herovert hij opnieuw het Friese Rijk. Koning
Redbad overlijdt in 719 nC en laat een Groot en Heidens Friesland na.
Koning Poppa (Hrodbad) (719 – 734 nC)
Vijftien jaar na de dood van Redbad
bereikt Charles Martel het hoogtepunt van zijn macht en zag zijn kans om met
Friesland af te rekenen. Hij zond in 734 nC zijn troepen naar Friesland. In het
hart van het Friese land, nabij de rivier de Boorne (de ‘Middelzee’) werd de
beslissende slag gevoerd met Poppo (voluit Hrodbad) aan het hoofd van de Friese
land- en zeekrachten. Poppo was de zoon van Redbad, maar was niet zo succesvol
als zijn vader was geweest. Hij werd in de slag gedood en de Friese legers (in
wanorde) werden verslagen.
Friesland, tot aan de Lauwers, werd in het
Frankische Rijk opgenomen. Het verloor zijn vrijheid en de kerk kreeg er voet
aan de grond. De zoon van Poppa, Abba (voluit Alfbad), werd de eerste Friese
Hertog onder Frankisch bestuur (749 – 775 nC). Oost-Friesland (ten oosten van de Lauwers)
werd 50 jaar later veroverd. De Oost-Friezen hadden een bondgenootschap gevormd
met hun heidense buren de Saksen. De zoon van Martel, Pepijn de Korte, was niet
in staat deze coalitie te verslaan. Het was pas onder aanvoering van de
kleinzoon van Martel, Charlemange (Karel de Grote) dat in 785 nC de
Saksisch-Friese coalitie verslagen kon worden.
Gedurende de achtste eeuw ontstond de
Friese taal. Deze geboorte kan worden getraceerd aan de hand van veranderingen
van klanken in de taal. Daardoor werd de Friese taal een afzonderlijke vorm
naast de andere Inguaeonische talen.
Naar het tweede en laatste deel
Terug
|