De Lorelei

Heinrich Heine

Voor deze ballade uit 1823 van Heine  lag het gedicht van Clemens Brentano "Lore Lay" dat voorkomt in zijn boek Godwi, oder das steinerne Bild der Mutter“ (1802) ten grondslag.
Weliswaar bestonden er sagen rondom waternixen, maar de sage van de Lorelei werd door Brentano bedacht, is dus een kunstsage.
Een 'Lei' of 'Lay' betekent zowel een steile rotswand, als ook watergeest, 'Lur' duidt op een elfennaam, eveneens betekent het in het dialect van de rijstreek waar de Lorelei-rots zich bevindt, 'schreeuwen', 'roepen' of 'huilen'.
In de middeleeuwen stond de Loreleirots bekend als een echoberg, een plaats die op luid geroep veel echos produceerde. Wellicht daarom werd de rots ook wel 'Elvenberg' genoemd. In oudere bronnen is er echter nergens sprake van, dat op de rots een waternimpf zit en zingt. 

Dit gedicht werd verschillende malen op muziek gezet, de bekendste is die van Silcher, waardoor het zelfs een volkslied werd.

Bron: "Germaansche Balladen" door Omer Wattez, 1909.
Toelichting: GardenStone, 2005.

Ik weet niet wat dat zal beduiden,
Dat ik zoo treurig ben;
Een sprookje uit aloude tijden,
Dat wil mij niet uit den zin.

De lucht is koel en het donkert,
En rustig vloeit de Rijn,
De kruin van 't gebergte vonkelt
In avondzonneschijn.

De schoonste jonkvrouwe zit er,
Verheven, wonderbaar,
Haar kostbaar goudwerk schittert,
Zij kamt haar gouden haar;

Zij kamt het met gouden kamme
En zingt een lied daarbij,
Dat ons doordringt van de vlamme,
Den gloed der melodij.

De schipper in zijnen schippe
Vervult het met wilde wee;
Hij ziet niet de rotsenklippen,
Hij blikt naar omhoog naar de fee

Ik meene de baren verdringen
In 't einde nog schipper en kaan
Dat heeft nu met haar zingen
De Lorelei gedaan.

Terug