|

Runenmeditatie
Igor Warneck
Vertaling en bewerking: GardenStone
Dit ritueel onstond,
terwijl we in een kring om een groot vuur stonden, maar jij kunt het ook gerust
in een andere situatie, alleen of met anderen uitvoeren. Je fantasie en je eigen
gevoel voor versierung hoef je niet aan grenzen te binden. Het is ook heel wel mogelijk,
om, je daarin tenminste al wat geoefend bent, de toestand van je eigen psychische
en spirituele standpunten te herkennen, en daarmee kun je dan je voordeel doen op
je verdere levensweg.
Rest me nog, om je veel plezier en een aangename krachtvolle 'reis' te wensen.
We staan hier als grote bomen, ieder voor zich en samen, als een dicht woud. De
wind liefkoost onze bladeren, en wiegt ons heen en weer. Wanneer we ons stijf zouden
houden, zou vader Wind onze stam breken, wanneer we meegeven, worden we gewiegd,
zoals een moeder met haar baby doet.
Onze benen zijn wortels, onze romp de stam, en onze armen zijn takken. De wortels
groeien dieper vanuit onze voeten, breiden zich uit in de grond van moeder Aarde,
en drinken het water van de donkere diepte. Onze takken beroeren zachtjes de takken
van de bomen die naast ons staan. Een groot, machtig bos, en toch iedere boom voor
zich.
Terwijl wij daar staan, komen de Machtigen der Runen op bezoek in het bos.
Eerst komt Febu, de Kracht van het Vuur, die ons in het voorjaar tot een nieuw en
krachtig leven opwekt.
Dan komt Uruz, de Kracht van de Aarde, die ons vast in het aardrijk verwortelt,
en ons daarmee tegen de stormen van het leven bewapent.
Thurisaz volgt, de Reuzenkracht, die ons bijna door zijn komst ontwortelde, totdat
we geleerd hadden, zelf ook een reuzen te zijn, ons bewust te zijn van onze eigen
grootte en reuzenkracht.
Ansuz komt over een pad aanlopen, zijn mantel waait in de wind. Hij strijkt over
onze takken, buigt ze, en breekt er een paar, die zich stijf houden; de Kracht van
de Wind, van de Geest, en hij zet ons aan het denken over dingen, waarover we voorheen
nog niet nagedacht hadden.
We hebben geen tijd ons lang in philosophische gedachten te verliezen, want Raidho
komt, de kracht van de beweging en van het ritme, en dat brengt ons weer in harmonie
met ons zelf en met onze omgeving: met de aarde, met het water, met het vuur en
met de lucht om ons heen.
Intussen is Kenaz aangekomen, en houdt ons de spiegel voor, die ons ons innerlijke
vuur laat zien, zodat ieder van ons zichzelf kan zien tussen alle andere bomen.
Een vlaag van hitte ging door ons heen, de spiegel brengt ons terug tot ons ware
zijn, en onze harten ontvlammen.
Van Gebo krijgen we allen een prachtig cadeau, we krijgen de gave van het geven.
elk geschenk leidt tot ontvangen, zegt Gebo, voordat hij verder gaat, en vanaf dit
moment gaan we vriendelijker met elkaar om, als voorheen.
Wunjo voegt zich onder ons, de Kracht die ons met levensvreugde vervult,
en zachtjes wiegden wij op de zacht toenemende wind.
Onder zacht gerommel treedt Hagalaz in onze kring, de kracht der genezing en der
vernietiging, de Kracht van Hel; we leren om diep in onszelf te gaan, tot in de
binnenste lagen van onze stam, de wonden en littekens van vroeger te herkennen,
ze vanuit ons binnenste aan de oppervlakte te brengen, om ze dan van ons af te schudden,
ze dan te bezien als dat, wat ze geworden zijn: voorbije wonden.
Nauthiz volgt, de Kracht van de Nood en van de Omkeer, en die daarmee ons starre
stelsel van voorstellingen afbreekt, om ons daarmee een nieuwe, frisse kijk op ons
eigen zijn mogelijk te maken.
En plotseling verandert de wereld zich voor ons, want uit het niets ontstond Isa
voor onze ogen, kwam in en om ons, en een nieuwe stabiliteit doortrok ons, een nieuw
zicht op de dingen om ons heen, een nieuw gevoel ten opzichte van de anderen en
tegenover onze omgeving, tegenover ieder levend wezen op deze planeet, gevolgd door
een kracht, die ons tegelijkertijd sterk en zwak maakte. Isa, de kracht van 'ik
ben een', is net zo snel verdwenen, als hij kwam, maar heeft in ons allemaal iets
achtergelaten, en we begrijpen nu, dat we ook alleen maar 'ëën' kunnen
zijn, als boom alleen, als woud, als wereld, terwijl we voorheen dachten, dat wijzelf
alles waren, en alles andere niets.
Jera begroet ons dan met een wervelende wind van verandering, het wiel van de tijd
draait zich even duidelijk voor onze ogen, en we beseffen even heel echt, dat we
een stap vooruit gedaan hebben op de weg die ons leven is.
Eiwaz doemt op, de Kracht van de heilige boom, de wereldboom, onze voorvader in
alle dimensies van de tijd, de Taxus, de die hele wereld omspant, de wereld, die
zelf ook een boom is, rustig staand, in het midden. Eiwaz leert ons over de verbinding
tussen boven en beneden, en dat alles, dat boven is, ook beneden te vinden is.
Met de komst van Perthro worden we opnieuw geboren, als nieuw, veranderde wezens,
waarmee een nieuwe cyclus begint;
en dan vinden we de kracht van Algiz binnenin ons, die ons rechtop laat staan, de
takken naar boven gericht, naar de wereld van de Goden, en de wortels naar beneden,
naar moeder Aarde.
Door het wolkendek breekt Sowilo naar ons toe, onze zon, die ons warmt en begeleidt,
waar we ook zijn, en die ook uit ons schijnt, zelfs als de lucht donker is van zware
wolken.
Tiwaz, de doelgerichte kracht, komt nader, de speer van Wodan, de geest-pijl van
onze bestemming, zijn kracht doorstroomt ons met zo'n heftigheid, dat we bijna ontwortelen
op de gulzige weg naar ons doel.
Maar dan voegt Berkana zich bij ons, de grote moeder van de Berken. Ze brengt ons
weer tot rust, en herinnert ons aan de geborgenheid, die we nodig hebben voor onze
krachtige reis. Beide krachten verenigen zich in ons, en brengt ons een gevoel van
ritmische kracht en ontspanning.
We merken, dat deze vereniging wordt veroorzaakt door de komst van een reusachtig
paard, Ehwaz, de Kracht van het Gemeenschappelijke. Briesend en steigerend verbreidt
deze paardekracht zich in ons bos, en wij grijpen elkaar vast met onze takken, wetend,
dat het nu de tijd is, om samen te leven, samen te handelen, en samen ons zijn te
genieten.
Heel zachtjes, maar toch goed door ons bemerkt, verschijnt Mannaz temidden van ons
en dat brengt ons ertoe, de tegenstrijdigheden in onszelf te herkennen en te begrijpen,
en ze eindelijk ook te accepteren. Nu begrijpen we ook de woorden van een Zwerver,
die eens ons bos bezocht, en zei, dat de mensen na de paarden kwanen, en hun grootste
probleem was, on de ene in beider levens te herkennen.
Dit nieuwe begrijpen bezorgt ons tranen, tranen van verdriet en van vreugde, het
reinigende water von onze zielen stroont door ons tot aan het daglicht; Laguz heeft
ons met zijn bezoek vereerd. Laguz, de Kracht van het Water, van het Gevoel, de
reiniging door voortdurende verandering.
Dan blijft het een poosje heel rutig in ons bos. Dat is de tijd van Inguz, de tijd
van rijping en rust, van bezinning en herkennen. Onze geesten verwerken nu alle
veranderingen en omwentelingen, die we beleefd hebben, we worden er rijker van,
en stralen dat ook uit.
Het vuur van Dagaz brengt ons weer terug tot actief bewustzijn, verlicht onze weg,
die tussen uitersten ligt, tussen het eeuwige goed en kwaad, tussen zwart en wit,
en daardoor beginnen we de grijze wolven te begrijpen, die soms door ons woud rennen,
en dat verrijkt ons leven met meer evenwicht.
Met deze innerlijke vrede verenigen we ons met Othala, het tehuis van onze geesten,
het tehuis van onze gemeenschap, van waaruit we onze weg gaan, door alle tijden.
Een verzadigd gevoel
van diepe tevredenheid breidt zich in ons uit, vervult ons helemaal, van de diepste
wortels, door de stam, tot aan de hoogste takken.
Terug
|