VII  cap. 46.    Naties, wier aard reeds min of meer Sarmatisch is.

46.  Wat de stammen der Peuciners, Veneden 1) en Fennen 2) aangaat, ben ik in twijfel of ik ze tot de Germanen dan wel tot de Sarmaten moet rekenen. Wel is waar gelijkt de levenswijze der Peuciners, die sommigen Bastarners noemen, uit het oogpunt van taal, zeden, manier van wonen en bouwtrant hunner huizen op die der Germanen, maar overigens zien zij er allen haveloos en stompzinnig uit; zelfs hebben de aanzienlijken bij hen tengevolge van het onder elkander trouwen in hun uiterlijk iets van het vuile voorkomen der Sarmaten. De Veneden hebben in vele opzichten Sarmatisehe gewoonten aangenomen, want als stroopers doorkruisen zij de geheele berg- en boschstreek, die tusschen de Peuciners en Fennen gelegen is. Toch worden zij meer bij voorkeur tot de Germanen gerekend, daar zij vaste woonplaatsen hebben, schilden dragen en vlugge voetgangers zijn: want juist in al deze opzichten zijn zij geheel het tegenbeeld der Sarmaten, die in wagens en op paarden leven.

De Fennen zijn buitengewoon wild van aard, en vreeselijk arm; zij hebben geen wapenen, geen paarden, geen huis; hun voedsel is wild, 3) hun kleeding een dierenhuid, hun bed de grond; hun eenige bezit 4) zijn hun pijlen, die zij bij gebrek aan ijzer met puntige botten spits maken. 5) En de jacht voedt evenzeer man als vrouw, want de vrouwen trekken overal met de mannen mee en eischen haar deel van den buit. De kinderen hebben tegen wilde beesten en onweer

1)  = Wenden.

2) = Finnen.

3)   Ik lees hier fera, in plaats van herba, welk laatste woord in strijd is met de geheele plaats.

4)   Ik lees hier met Meiser opes inplaats van spes.

5)   Hetzelfde doen tegenwoordig nog de Siberiėrs.


geen andere toevlucht dan een vlechtwerk van boomtakken, dat trouwens ook den man tot verblijf en den grijsaard tot schuilplaats dient. Maar dit vinden zij een gelukkiger lot, dan te zwoegen op den akker, zich af te tobben in huis, en in hoop of vrees te leven bij omzet van eigen of vreemd goed. Onbekommerd tegenover menschen, onbekommerd tegenover goden hebben zij het haast onbereikbare verkregen: zelfs geen wenschen meer te koesteren.

Hetgeen nu nog volgt behoort reeds tot het gebied der fabelen; bijvoorbeeld, dat de Hellusiėrs en Etionen wezens zouden zijn met menschenhoofden en — gezichten, maar met lijf en leden van dieren 1) — welke soort van berichten ik voor mij als onbewezen laten zal voor wat zij zijn.

1) Deze menschen hulden zich tegen de grimmige koude zoo geheel in dierenhuiden, dat alleen het aangezicht bloot bleef. Vgl. Tacit. Ann. II, 24.

EINDE


Terug