DE NOORDSE TRADITIE

© Frigga Asraaf 1998
Vrijgegeven voor Boudicca's Bard


In onze tijd zijn veel mensen op zoek naar nieuwe normen en waarden, manieren van leven die meer in harmonie zijn met de natuur. Je hoort over het zoeken naar spiritualiteit, naar persoonlijke groei zijn. Vaak heeft men het dan over het zoeken naar de eigen wortels. Bij wortels denk ik aan bomen en planten die in de natuur hun hele leven op een plaats staan. Hun wortels zijn in de aarde gegroeid en dringen ook diep in de aarde door. De aarde wordt mede laag voor laag gevormd door wat er geweest is. Voor mij is het logisch om bij een zoektocht naar de eigen wortels te gaan kijken naar het verleden

We komen dan bij de tijd voor het Christendom. We hebben het over de tijd dat delen van Europa bevolkt werden door Keltische, Germaanse en Gallische stammen. De Noordse Traditie vindt haar sporen bij de Germanen.

In de loop van de geschiedenis is er op diverse tijdstippen op een of andere manier interesse geweest voor de levensbeschouwing van de Germanen. We kunnen stellen dat de religie van onze Germaanse voorouders vervaagd maar niet verdwenen is. Zelfs in het dagelijks leven vinden we de sporen nog terug. In de dagen van de week vinden we godennamen terug; Wodan - woensdag, Donar - Donderdag, Frîja - vrijdag. Daarnaast zijn er ook de vele volksgebruiken die ons herinneren aan een heidens verleden.

Overal ter wereld zijn verhalen te vinden over het ontstaan van de aarde, verhalen over andere realiteiten met bewoners die de mens al dan niet goedgunstig gezind zijn. Verhalen over wezens die de mens bijstaat in het dagelijks leven, wezens die om hulp gevraagd kunnen worden. De oudste bronnen voor de Germaanse mythologie zijn de Proza en Lied Edda. Een belangrijk element van de mythologie wordt gevormd door de Germaanse visie op de kosmos. De wereldboom Yggdrasil die alle Negen Werelden omvat staat hierin centraal. Deze werelden met alles wat daarin leeft maken deel uit van het universum en zijn onderworpen aan universele wetten.


HET LOT

Om te begrijpen wat de Noordse Traditie inhoud is het nuttig te kijken naar de denkwijze van onze voorouders. Het lot neemt hier een belangrijke plaats in. De Germaanse visie van het lot is vergelijkbaar met het Indische concept 'karma', maar is in mijn ogen veel actiever. Keuzes en handelingen uit het verleden hebben invloed op het heden. Het is een constant proces van 'in wording zijn'.

In de Völuspá wordt gezegd dat de drie Nornen, de lotsgodinnen, řrlög spreken. Řrlög kan 'oerlagen' of 'oerwetten' betekenen. Men zou dus kunnen zeggen dat alle gebeurtenissen, handelingen, keuzes enz. uit het verleden de oerlagen vormen waarvan de invloed voelbaar of merkbaar is in het heden.

Men kan zich het lot voorstellen als een web, een spinneweb. Iedere draad van het web vertegenwoordigt een leven. Alle draden zijn met elkaar verbonden, zijn constant in beweging en hebben een zekere invloed op elkaar. Denk hierbij aan het effect van een steentje dat in het water wordt gegooid. Op dat plaats waar het steentje in het water terecht komt spat het water op en ontstaan er rimpels op het wateroppervlak. Van het steentje af worden de rimpels steeds kleiner tot het water weer glad is. Op de plek in het web waar de keuze is gemaakt, is de trilling het sterkst voelbaar. Verder weg is het niet of nauwelijks meer voelbaar. Men zou dus kunnen zeggen dat het individu een zekere invloed heeft op het web en tegelijkertijd het web een zekere invloed heeft op het individu.

Een weefwerk wordt ook wel als symbool genomen. Het zijn de al eerder genoemde Nornen, die verblijven bij de bron van Urd, waarvan gezegd wordt dat zij het lot weven. De bron van Urd bevindt zich bij een van de wortels van Yggdrasil. Het Oudnoorse woord Urdr, de naam van de oudste van de drie Nornen, betekent 'hetgeen wat geweest is'.

Ook hier geldt weer dat elke draad van het weefwerk een leven vertegenwoordigt. Ik stel me een enorm weefwerk voor met alle mogelijke kleuren en patronen. Ik heb gezegd dat elke draad van het weefwerk een leven vertegenwoordigt. Zelf zie ik het meer als een weefwerk dat uit vele kleine weefwerkjes bestaat die met elkaar verbonden zijn. Elk weefwerkje is een leven, of dat nu een leven van de goden, de mensen of een van de andere wezens uit de Negen Werelden is. Elk weefwerkje heeft z'n eigen kleuren en patronen.

Hoe die kleuren en patronen er uit zien heeft te maken met de oerlagen. Met datgene wat in het leven van ieder individu is geweest, wat is en wat in wording is. Het lot is onafwendbaar maar niet voorbestemd. Door de keuze's die de mens maakt, en de handelingen die men verricht kan men nieuwe kleuren toevoegen en andere patronen ontwerpen. Keuzes die je maakt hangen samen met dingen die je belangrijk vind: de manier waarop je over dingen denkt, de normen en waarden die je hebt.


DE NEGEN NOBELE WAARDEN

Uit de Edda en de saga's leren we dat bepaalde waarden voor onze voorouders van belangwaren. Negen waarden die duidelijk naar voren komen zijn: eer, trouw, waarheid, moed, zelfstandigheid, standvastigheid, ijver, zelfbeheersing en gastvrijheid. Deze waarden worden wel aangeduid als de Negen Nobele Waarden.

Wat betekenen deze waarden voor ons anno 1998? De omstandigheden waarin we leven zijn niet meer hetzelfde als die van onze voorouders. De eer die voor de voorouders in de strijd te behalen viel ligt bij ons niet meer op het slagveld. Wij kunnen onze moed niet bewijzen tijdens de jacht. Veel mensen zijn juist tegen de jacht. Toch zou ik voor een jager die met pijl en boog jaagt in plaats van een geweer nog wel respect kunnen opbrengen.

De uitdagingen die wij voorgeschoteld krijgen liggen op een ander vlak. De reuzen die wij moeten bestrijden zijn anders, bijvoorbeeld de bureaucratie (papieren reuzen worden bestreden met en papieren hamer).

De Noordse Traditie kent geen wetten en geboden. De Edda wordt gezien als een bron van inspiratie, een boek waar levenswijsheden in de vinden zijn. De Negen Nobele Waarden worden gezien als richtlijnen. Richtlijnen die ons kunnen helpen ons gedrag te bepalen, onze keuzes te maken.

Bovenstaande is een deel uit de lezing gehouden op 10 oktober 1998 te Utrecht


Terug